Bevolking naar socio-economische positie (op basis van EAK-enquête) 

 


Bron 


Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK), Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium) en Labour Force Survey (LFS), Eurostat, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen. 


 

Definities 

Socio-economische positie: de socio-economische positie van de bevolking van 15 jaar en ouder maakt een opdeling tussen personen die beroepsactief of niet-beroepsactief zijn volgens de bepalingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) 
 

De beroepsactieve bevolking kan worden opgesplitst in werkende personen en werkloze personen. 


Werkende personen zijn personen die: 

  • tijdens de referentieweek minstens één uur hebben gewerkt voor loon of winst of gezinswinst; 

  • tijdens de referentieweek niet aan het werk waren, maar een baan of bedrijf hadden waar zij tijdelijk niet aanwezig waren. 


Werkloze personen voldoen tegelijk aan onderstaande voorwaarden: 

  • jonger dan 74 jaar; 

  • niet in dienst tijdens de referentieweek; 

  • beschikbaar om te beginnen met werken binnen de 2 weken na de referentieweek; 

  • actief werk gezocht in de 4 weken voorafgaand aan de referentieweek of al een baan gevonden om binnen de komende 3 maanden te starten. 


De niet-beroepsactieve bevolking omvat de personen die niet werkend noch werkloos zijn zoals:

  •  jongeren die een voltijdse studie volgen,
  • mannen en vrouwen die voltijds het huishouden doen,
  • personen die volledig arbeidsongeschikt zijn,
  • gepensioneerden. 

 

Onderwijsniveau:

  • laaggeschoold: personen zonder diploma of hoogstens een diploma lager secundair onderwijs. 

  • middengeschoold: personen met hoogstens een diploma hoger secundair onderwijs of met een diploma post-secundair niet-hoger onderwijs. 

  • hooggeschoold: personen met een diploma hoger of universitair onderwijs. 

 

 

Opmerkingen bij de kwaliteit 

De gegevens over socio-economische positie van de bevolking zijn schattingen gebaseerd op een enquête. De Labour Force Survey (LFS) is de officiële enquête die in alle EU28-landen wordt afgenomen. Ze wordt gebruikt voor de constructie van Europese, nationale en regionale statistieken over de arbeidsmarkt. De LFS wordt gecoördineerd door het Europese statistiekbureau Eurostat. Voor België wordt de enquête uitgevoerd door het Belgische statistiekbureau Statbel onder de naam Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK).  

De EAK wordt in België uitgevoerd vanaf 1983. Deelname aan de EAK is verplicht voor de geselecteerde huishoudens 

Van 1983 tot 1998 werden de huishoudens 1 maal per jaar bevraagd tijdens een beperkte periode. Vanaf 1999 werd de enquête continu uitgevoerd tijdens het jaar, waarbij de steekproef gelijkmatig werd verdeeld over alle weken van het jaar.  
Vanaf 2001 worden de personen die langer dan drie maanden in loopbaanonderbreking zijn niet meer bij de werkenden geteld. Deze breuk werd door het Steunpunt Werk gecorrigeerd door de cijfers van 2000 en 1999 opnieuw te berekenen.

Vanaf 2017 werd een nieuwe methode van enquêtering toegepast. De geselecteerde huishoudens en personen nemen deel aan een eerste bevraging. Daarna worden ze uitgenodigd om in de daaropvolgende 15 maanden nog 3 keer een vragenlijst te beantwoorden. De huishoudens worden in 2 opeenvolgende kwartalen bevraagd, daarna in 2 kwartalen niet en ten slotte in 2 kwartalen opnieuw.  
De eerste bevraging gebeurt op dezelfde manier als de jaren voordien: de respondent wordt door een enquêteur uitgenodigd voor een persoonlijk interview waarbij de vragenlijst gezamenlijk wordt doorlopen en de antwoorden worden geregistreerd op een tablet. Deze bevraging is de meest gedetailleerde en wordt begeleid door een enquêteur.  
De vervolgbevragingen zijn korter en beperken zich grotendeels tot de aspecten van de arbeidsmarktpositie die gewijzigd zijn in vergelijking met de vorige bevraging.  

In het Vlaamse Gewest werden in de periode 1999-2016 per jaar gegevens verzameld van ongeveer 20.000 huishoudens en 50.000 personen (huishoudleden). De responsgraad van de EAK in België lag in die periode tussen 75% en 80%.  

Vanaf 2017 namen met de nieuwe methode ongeveer 18.000 Vlaamse huishoudens en 44.000 personen deel. In 2019 ging het om 17.967 huishoudens en 43.497 personen.
In de periode 2017-2019 bedroeg de gemiddelde responsgraad in het Vlaamse Gewest bij de eerste bevraging 73%, bij de tweede bevraging 88%, bij de derde bevraging 91% en bij de vierde bevraging 94%. 

Aangezien de gegevens verzameld worden via een steekproef, moet bij de interpretatie van de resultaten van de LFS en EAK rekening worden gehouden met een bepaalde onzekerheidsmarge.

Voor de periode vanaf 1999 moet men wegens de nieuwe methode rekening houden met een breuk in de tijdreeks tussen 2016 en 2017.

 

 

Referenties 

Steunpunt Werk: Cijfers en Vlaanderen binnen Europa
Statbel: Werkgelegenheid en werkloosheid  

Eurostat: Database   

 

Contact