Actief lidmaatschap van verenigingen

 

Bron

Survey Sociaal-culturele verschuivingen in Vlaanderen (SCV), Statistiek Vlaanderen

 

Definities

Het lidmaatschap van verenigingen wordt in de SCV-survey opgevolgd via volgende vraag:

“In ons land zijn nogal wat mensen aangesloten bij verenigingen. Ik ga u een lijst met een aantal soorten verenigingen voorlezen. Kunt u mij zeggen of u daar nu lid van bent of soms vroeger lid bent van geweest en indien u nu lid bent of dat dan is als actief lid, passief lid of bestuurslid?

Met een passief lid bedoelen wij iemand die enkel het lidgeld betaalt en/of het tijdschrift leest; een actief lid is iemand die aan de activiteiten van de vereniging deelneemt en een bestuurslid is iemand die binnen de vereniging een officiële functie vervult zoals voorzitter, secretaris, penningmeester.”

Iedereen die actief of bestuurslid is in minstens 1 vereniging wordt meegeteld in de cijfers over actief lidmaatschap van verenigingen.

De vraag over lidmaatschap onderging wijzigingen doorheen de jaren. Zo werd in de beginjaren enkel gepeild naar het actief lid zijn en werd in de loop van de jaren de voorgelegde lijst van verenigingen langer. Sinds 2009 is de lijst stabiel met 24 verenigingen en de mogelijkheid om ook nog een ander soort vereniging te noemen.

De populatie van de SCV-survey veranderde door de jaren heen. De eerste survey werd uitgevoerd in 1996. Tot 2008 werden alleen Belgen ondervraagd (selectie Rijksregister), vanaf 2009 werden ook niet-Belgen bevraagd. Er zijn ook leeftijdsverschillen. Tot 2000 zaten er ook 16- en 17-jarigen in de steekproef, vanaf 2001 was 18 jaar de ondergrens. Tot 1999 was 75 jaar de bovengrens. In 2000 werd die bovengrens op 85 jaar gezet. Vanaf 2009 is er geen bovengrens meer. De populatie van 1996 werd hier als vergelijkingsbasis genomen. Voor deze vraag kijken we dus naar 18 tot 75-jarige Vlamingen met de Belgische nationaliteit.
 

De gegevens kunnen opgedeeld worden naar onder meer geslacht, leeftijd, huishoudtype en onderwijsniveau. Bij onderwijsniveau gaat het om volgende groepen:

  • laaggeschoolden: personen zonder diploma of hoogstens een diploma lager secundair onderwijs;
  • middengeschoolden: personen met hoogstens een diploma hoger secundair onderwijs of met een diploma post-secundair niet-hoger onderwijs;
  • hooggeschoolden: personen met een diploma hoger of universitair onderwijs.

Op basis van de woonplaats van de respondenten kunnen de gegevens worden ingedeeld naar urbanisatiegraad. Daarbij wordt een opdeling gemaakt in 6 groepen gemeenten: grootsteden, centrumsteden, stedelijke rand, kleinere steden, overgangsgebied en platteland. Deze indeling is gebaseerd op het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, waarbij enerzijds enkele categorieën zijn samen genomen in ‘kleinere steden’ en anderzijds het buitengebied op basis van het Strategisch Plan Ruimtelijke Economie is opgesplitst in ‘overgangsgebied’ en ‘platteland’. De 19 Brusselse gemeenten worden bij de grootsteden gerekend. Een overzicht van de indeling van de Vlaamse en Brusselse gemeenten per groep vindt u hier.

 

Opmerkingen bij de kwaliteit

De SCV-survey 'Sociaal-culturele verschuivingen in Vlaanderen' is een jaarlijkse face-to-face survey bij een toevallige steekproef van Nederlandstalige inwoners in het Vlaamse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. De survey peilt naar opvattingen, overtuigingen en gedragingen van Vlamingen met betrekking tot maatschappelijk en beleidsrelevante thema's. Jaarlijks worden ongeveer 1.500 interviews  gerealiseerd. De responsgraad bedraagt circa 60%, maar is in de surveyjaren 2017 en 2018 teruggelopen tot respectievelijk 55 en 50%.

Er gaat veel aandacht naar het volgen van kwaliteitsrichtlijnen, zowel bij het uitwerken van de vragenlijst, de steekproeftrekking, het wegen van de data als de training van interviewers. De gebruiker moet zich er echter van bewust zijn dat de percentages op basis van surveydata een schatting zijn van de overeenkomstige populatiepercentages binnen een interval. De grootte van dat interval is afhankelijk van het bekomen percentage en van de steekproefomvang. Bij een steekproefomvang van 1.500 respondenten bedraagt het betrouwbaarheidsinterval rond een gerapporteerd percentage van 50% ongeveer 5 procentpunten, dus 47,5%-52,5%. Voor gerapporteerde percentages van 20% of 80% is dat interval kleiner, maar voor kleinere groepen (bijvoorbeeld één opleidingsniveau of één gezinstype) is het interval groter.

Alle percentages en gemiddelden zijn gewogen. De gewichten die daarbij gebruikt worden, proberen de onder- of oververtegenwoordiging van bepaalde categorieën te compenseren. Die onder- of oververtegenwoordiging kan het gevolg zijn van onder meer steekproeffouten of verschillen in non-respons.

 

Referenties

Statistiek Vlaanderen: SCV-survey

 

Contact

Stel je vraag

 

Naar de statistiek