Politieke participatie

 

Bron

Survey ‘Sociaal-culturele verschuivingen in Vlaanderen’ (SCV), Statistiek Vlaanderen

 

Definities

Politieke participatie of politiek actief zijn wordt in de SCV-survey opgevolgd via volgende vraag:

Ik ga nu verschillende manieren opsommen waarop mensen sociaal of politiek actief kunnen zijn. Kan u mij telkens zeggen of u iets ooit heeft gedaan of in de toekomst zou doen?”

De respondenten kunnen antwoorden met:

1: ik heb dat in het voorbije jaar gedaan
2: ik heb dat iets langer geleden gedaan
3: ik heb dat niet gedaan, maar zal het misschien doen
4: ik heb dat niet gedaan en zal dat ook nooit doen

Volgende mogelijke politieke activiteiten worden bevraagd: tekenen van een petitie, boycotten of kopen van producten omwille van politieke redenen, deelnemen aan een demonstratie, bijwonen van een politieke vergadering of bijeenkomst, mening uiten bij een politicus of ambtenaar, geld schenken of verzamelen voor een sociale of politieke actie, mening uiten in de media, deelnemen aan een politiek forum of discussiegroep op internet, zich kandidaat stellen op een lijst voor de verkiezingen, lid zijn van een lokaal advies-, overleg- of inspraakorgaan, actief informatie verzamelen over plannen of beslissingen van de overheid, lid zijn van een buurt- of actiecomité.

Iedereen die aangeeft in het voorbije jaar minstens 1 activiteit uit de lijst van politieke activiteiten te hebben gedaan, wordt beschouwd als politiek actief. Daarnaast worden ook de personen meegerekend die antwoorden lid te zijn (passief of actief) van een politieke partij op de vraag over het verenigingsleven..

De populatie van de SCV-survey veranderde door de jaren heen. De eerste survey werd uitgevoerd in 1996. Tot 2008 werden alleen Belgen ondervraagd (selectie Rijksregister), vanaf 2009 werden ook niet-Belgen bevraagd. Er zijn ook leeftijdsverschillen. Tot 2000 zaten er ook 16- en 17-jarigen in de steekproef, vanaf 2001 was 18 jaar de ondergrens. Tot 1999 was 75 jaar de bovengrens. In 2000 werd die bovengrens op 85 jaar gezet. Vanaf 2009 is er geen bovengrens meer.

De vraag over politieke participatie werd voor de eerste keer gesteld in 2006. Vanaf 2007 werden alle bovengenoemde vormen van politieke participatie bevraagd. De populatie van dat jaar werd als vergelijkingsbasis genomen. Voor deze vraag kijken we dus voor alle jaargangen naar de 18- tot 85-jarige Belgen.

De gegevens kunnen opgedeeld worden naar onder meer geslacht, leeftijd, huishoudtype en onderwijsniveau. Bij onderwijsniveau gaat het om volgende groepen:

  • laaggeschoolden: personen zonder diploma of hoogstens een diploma lager secundair onderwijs;
  • middengeschoolden: personen met hoogstens een diploma hoger secundair onderwijs of met een diploma post-secundair niet-hoger onderwijs;
  • hooggeschoolden: personen met een diploma hoger of universitair onderwijs.

Op basis van de woonplaats van de respondenten kunnen de gegevens worden ingedeeld naar urbanisatiegraad. Daarbij wordt een opdeling gemaakt in 6 groepen gemeenten: grootsteden, centrumsteden, stedelijke rand, kleinere steden, overgangsgebied en platteland. Deze indeling is gebaseerd op het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, waarbij enerzijds enkele categorieën zijn samen genomen in ‘kleinere steden’ en anderzijds het buitengebied op basis van het Strategisch Plan Ruimtelijke Economie is opgesplitst in ‘overgangsgebied’ en ‘platteland’. De 19 Brusselse gemeenten worden bij de grootsteden gerekend. Een overzicht van de indeling van de Vlaamse en Brusselse gemeenten per groep vindt u hier.

 

Opmerkingen bij de kwaliteit

De SCV-survey 'Sociaal-culturele verschuivingen in Vlaanderen' is een jaarlijkse face-to-face survey bij een toevallige steekproef van Nederlandstalige inwoners in het Vlaamse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. De survey peilt naar opvattingen, overtuigingen en gedragingen van Vlamingen met betrekking tot maatschappelijk en beleidsrelevante thema's. Jaarlijks worden ongeveer 1.500 interviews gerealiseerd. De responsgraad bedraagt circa 60%, maar is in de surveyjaren 2017 en 2018 teruggelopen tot respectievelijk 55 en 50%.

Er gaat veel aandacht naar het volgen van kwaliteitsrichtlijnen, zowel bij het uitwerken van de vragenlijst, de steekproeftrekking, het wegen van de data als de training van interviewers. De gebruiker moet zich er echter van bewust zijn dat de percentages op basis van surveydata een schatting zijn van de overeenkomstige populatiepercentages binnen een interval. De grootte van dat interval is afhankelijk van het bekomen percentage en van de steekproefomvang. Bij een steekproefomvang van 1.500 respondenten bedraagt het betrouwbaarheidsinterval rond een gerapporteerd percentage van 50% ongeveer 5 procentpunten, dus 47,5%-52,5%. Voor gerapporteerde percentages van 20% of 80% is dat interval kleiner, maar voor kleinere groepen (bijvoorbeeld één opleidingsniveau of één gezinstype) is het interval groter.

Alle percentages en gemiddelden zijn gewogen. De gewichten die daarbij gebruikt worden, proberen de onder- of oververtegenwoordiging van bepaalde categorieën te compenseren. Die onder- of oververtegenwoordiging kan het gevolg zijn van onder meer steekproeffouten of verschillen in non-respons.

 

Referenties

Statistiek Vlaanderen: SCV-survey

 

Contact

Stel je vraag

 

Naar de statistiek