Fysische staat van de woning


Bron

Woonsurvey 2005, Grote Woononderzoek 2013 en Woonsurvey 2018, Agentschap Wonen-Vlaanderen (Steunpunt Wonen), bewerking Statistiek Vlaanderen

Definities

Fysische staat van de woning werd op volgende wijze bevraagd:

1. Zijn volgende onderdelen van uw woning in goede staat of zijn er (kleine of grote) herstellingen aan nodig?

      a. Zijn de ramen in goede staat of zijn er herstellingen aan nodig om ze weer regen- en winddicht te maken, om ervoor te zorgen dat ze goed afsluiten en toelaten de woning te verlichten en te verluchten?

      b. Is de dakgoot in goede staat of zijn er dakgoten afwezig, sluit ze niet meer goed aan bij het dak, zijn er afhangende of gebroken onderdelen of één of meerdere lekkages met zichtbare schade?

      c. Is het dak in goede staat of zijn er losliggende, verschoven, doorgebogen of beschadigde elementen aan het dak?

2. Zijn volgende vormen van vochtschade aanwezig in uw woning?

      a. Een dak langs waar water binnensijpelt.

      b. Een of meerdere vochtige muren of vloeren (al dan niet met schimmelvorming).

      c. Rottend houten raamwerk of ander raamwerk langs waar water binnensijpelt.

De vragen over het dak (vraag 1c en 2a), net als de vragen over de ramen (1a en 2c), worden wel als 1 probleem beschouwd. Dit maakt dat er 4 mogelijke problemen zijn: (1) een probleem met de ramen, (2) een probleem met de dakgoot, (3) een probleem met het dak en (4) een vochtprobleem aan de muren of vloeren.

De verschillende categorieën van de indicator worden op een eenvoudige wijze geconstrueerd:

1. de woning is in goede staat wanneer er geen problemen blijken te zijn;

2. de woning is in matige staat wanneer er 1 probleem blijkt te zijn;

3. de woning is in slechte staat wanneer er 2 of 3 problemen gemeld worden;

4. de woning is in zeer slechte staat wanneer er 4 problemen gemeld worden.

Deze vraagstelling is in 2018 vernieuwd. Zowel de resultaten van 2018, als deze van 2013, zijn volgens de vernieuwde indicator berekend.

Opmerkingen bij de kwaliteit

De weergegeven resultaten zijn schattingen op basis van een enquête. Daarom moet rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge. Het gaat om puntschattingen die met een bepaalde betrouwbaarheid in een interval liggen, het betrouwbaarheidsinterval genaamd. Evoluties in cijfers zijn enkel statistisch significant (veralgemeenbaar naar de populatie) indien de betrouwbaarheidsintervallen van opeenvolgende cijfers elkaar niet overlappen. Voor meer detail bij de significantie van de evoluties van de indicatoren verwijzen we naar de rapporten van het Steunpunt Wonen.

De Woonsurvey (2005 en 2018) en het Grote Woononderzoek (GW0, 2013) peilen naar de woonsituatie, -wensen en -tevredenheid van huishoudens in Vlaanderen, met opname van de woningkenmerken en -kwaliteit. De data dienen als basis voor zowel wetenschappelijk onderzoek als beleidsvoorbereiding en -evaluatie rond het thema wonen.

De steekproef van de survey ’s is getrokken uit de populatie van de huishoudens. Als we spreken over ‘deelmarkten’, refereren we dus naar de huishoudens die eigenaar zijn of huren, en niet naar de totale woningvoorraad die in deze deelmarkt beschikbaar is.

Woonsurvey 2005:

Bij 5.200 gezinnen werd een interview afgenomen en 8.200 woningen werden onderworpen aan een uitwendige schouwing. De informatie uit deze ‘Woonsurvey 2005’ vormde de basis voor een uitgebreide reeks van analyses over onder meer betaalbaarheid, kwaliteit en woonzekerheid van de Vlaamse huishoudens.

Grote Woononderzoek 2013:

In 2012‐2013 werd voor een tweede maal een dergelijke bevraging gehouden, nu bij ongeveer 10.000 huishoudens. De grotere steekproefomvang liet toe een nog meer verfijnd beeld van de woonsituatie te tekenen. Voor de 13 centrumsteden werd een voldoende groot aantal huishoudens bevraagd om ook op niveau van de individuele steden nauwkeurige en betrouwbare uitspraken te kunnen doen. Een ander belangrijk verschil met 2005 was dat nu ook de binnenkant van een groot aantal woningen (5.000) op een objectieve manier in beeld werd gebracht.

Woonsurvey 2018:

In 2018 werd geopteerd voor een standaardbevraging met 4 extra modules. Deze modules zijn: kenmerken van woning en woonomgeving, motieven voor eigenwoningbezit, kenmerken van private huur/woningverwerving, en attitudes in verband met ‘Slim wonen en leven’. De vraagstelling werd zoveel als mogelijk afgestemd op deze van de Woonsurvey 2005 en het GWO 2013. In deze editie was er geen objectieve schouwing van de woning. De steekproefomvang bedroeg ongeveer 3000 huishoudens in Vlaanderen. Het design van de steekproef is zodanig opgevat dat er ook analyses mogelijk zijn op het niveau van de sociale huisvesting. Door de meer beperkte steekproef zijn de gegevens enkel beschikbaar op Vlaams en Provinciaal niveau.

Referenties

Agentschap Wonen-Vlaanderen

Steunpunt wonen

Contact

Stel je vraag

  

Naar de statistiek