Woonquote

Bron

Woonsurvey 2005, Grote Woononderzoek 2013 en Woonsurvey 2018, Agentschap Wonen-Vlaanderen (Steunpunt Wonen), bewerking Statistiek Vlaanderen

Definities

Woonquote: de verhouding tussen de uitgaven van een huishouden aan wonen en het totale besteedbare inkomen van dat huishouden.

Voor de woonquote met enkel naakte woonuitgaven (kosten voor huur of afbetaling van de woonlening) wordt de 30%‐norm gehanteerd om huishoudens met een betaalbaarheidsrisico te onderscheiden. De norm bedraagt 40% wanneer de totale woonuitgaven worden in acht genomen, dus inclusief de bijkomende woonuitgaven voor verzekering, taksen, onderhoud en nutsvoorzieningen. Deze laatste houden de verbruikskosten in voor water, gas, stookolie en elektriciteit, maar ook de gemeenschappelijke kosten (in geval van appartementsbewoners).

Inkomenskwintiel: wanneer de inkomens van laag naar hoog worden gerangschikt, kunnen zij worden opgedeeld in 5 gelijke groepen of kwintielen. Het laagste kwintiel omvat dan de 20% laagste inkomens, het hoogste kwintiel de 20% hoogste inkomens. De inkomens zijn equivalent gemaakt op basis van de ‘aangepaste OESO-schaal’.

Opmerkingen bij de kwaliteit

De weergegeven resultaten zijn schattingen op basis van een enquête. Daarom moet rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge. Het gaat om puntschattingen die met een bepaalde betrouwbaarheid in een interval liggen, het betrouwbaarheidsinterval genaamd. Evoluties in cijfers zijn enkel statistisch significant (veralgemeenbaar naar de populatie) indien de betrouwbaarheidsintervallen van opeenvolgende cijfers elkaar niet overlappen. Voor meer detail bij de significantie van de evoluties van de indicatoren verwijzen we naar de rapporten van het Steunpunt Wonen.

De Woonsurvey (2005 en 2018) en het Grote Woononderzoek (GW0, 2013) peilen naar de woonsituatie, -wensen en -tevredenheid van huishoudens in Vlaanderen, met opname van de woningkenmerken en -kwaliteit. De data dienen als basis voor zowel wetenschappelijk onderzoek als beleidsvoorbereiding en -evaluatie rond het thema wonen.

De steekproef van de survey ’s is getrokken uit de populatie van de huishoudens. Als we spreken over ‘deelmarkten’, refereren we dus naar de huishoudens die eigenaar zijn of huren, en niet naar de totale woningvoorraad die in deze deelmarkt beschikbaar is.

Woonsurvey 2005:

Bij 5.200 gezinnen werd een interview afgenomen en 8.200 woningen werden onderworpen aan een uitwendige schouwing. De informatie uit deze ‘Woonsurvey 2005’ vormde de basis voor een uitgebreide reeks van analyses over onder meer betaalbaarheid, kwaliteit en woonzekerheid van de Vlaamse huishoudens.

Grote Woononderzoek 2013:

In 2012‐2013 werd voor een tweede maal een dergelijke bevraging gehouden, nu bij ongeveer 10.000 huishoudens. De grotere steekproefomvang liet toe een nog meer verfijnd beeld van de woonsituatie te tekenen. Voor de 13 centrumsteden werd een voldoende groot aantal huishoudens bevraagd om ook op niveau van de individuele steden nauwkeurige en betrouwbare uitspraken te kunnen doen. Een ander belangrijk verschil met 2005 was dat nu ook de binnenkant van een groot aantal woningen (5.000) op een objectieve manier in beeld werd gebracht.

Woonsurvey 2018:

In 2018 werd geopteerd voor een standaardbevraging met 4 extra modules. Deze modules zijn: kenmerken van woning en woonomgeving, motieven voor eigenwoningbezit, kenmerken van private huur/woningverwerving, en attitudes in verband met ‘Slim wonen en leven’. De vraagstelling werd zoveel als mogelijk afgestemd op deze van de Woonsurvey 2005 en het GWO 2013. In deze editie was er geen objectieve schouwing van de woning. De steekproefomvang bedroeg ongeveer 3000 huishoudens in Vlaanderen. Het design van de steekproef is zodanig opgevat dat er ook analyses mogelijk zijn op het niveau van de sociale huisvesting. Door de meer beperkte steekproef zijn de gegevens enkel beschikbaar op Vlaams en Provinciaal niveau.

Referenties

Agentschap Wonen-Vlaanderen

Steunpunt Wonen

Contact

Stel je vraag 

 

Naar de statistiek