Cultuurparticipatie

 

Bron

SCV-survey, bewerking Statistiek Vlaanderen

 

Definities

Bij de berekening van de algemene cultuurparticipatiegraad gaat het om 10 activiteiten: bijwonen of bezoeken van een concert (4 aparte genres), een museum, een bibliotheek, een bioscoop, een dans- of balletvoorstelling, een theater- en een operavoorstelling.

Het ‘kernpubliek’ participeert minstens 3 keer per jaar aan 3 van de 10 activiteiten.

De ‘belangstellende participanten’ nemen minstens 1 keer per jaar aan 3 verschillende soorten activiteiten deel.

De ‘cultuurpassanten’ nemen minder intensief en divers aan cultuur deel.

De ‘regelmatige cultuurparticipant’: optelling van ‘kernpubliek’ en ‘belangstellende participanten’.

Voor de lange tijdreeksen voor specifieke cultuuractiviteiten werd telkens een onderscheid gemaakt tussen participanten en niet-participanten. Verdere detaillering was niet mogelijk op een vergelijkbare manier voor alle surveyjaargangen. Maar ook met dit ruwe onderscheid zijn er vraagverschillen die een impact kunnen hebben op de gegeven antwoorden.

Bioscoopbezoek: hier zijn de vragen vrij stabiel gebleven doorheen de jaren en kan gesproken worden van een vrij goed vergelijkbare tijdreeks.

Museumbezoek: de vraag werd uitgebreid over de jaren heen, met een opdeling tussen Belgische en buitenlandse musea en de toevoeging van ‘of een galerij’ in de vraagverwoording. Ondanks deze uitbreiding is de ruwe opdeling tussen participanten en niet-participanten vrij goed vergelijkbaar over de jaren heen.

Bibliotheekbezoek: cijfers voor 1996 en 1999 ontbreken. Voor de andere jaren waren er wijzigingen in de aangeboden antwoordcategorieën, maar de ruwe, algemene, participatiegraad is vrij goed vergelijkbaar over de tijd.

Concertbezoek: hier zijn er grote verschillen in vraagstelling door de jaren heen. Sinds 2011 wordt een voorafgaande filtervraag gesteld vooraleer naar het bijwonen aan specifieke concerten wordt gepeild. Voordien (vanaf 2000) was er geen filtervraag en werd de participatiegraad bepaald op basis van het bijwonen van vijf concrete types van concerten (klassiek, pop-rock, jazz-blues, traditioneel-folkloristisch en opera). Voor de periode 1996-1998 moest de participatiegraad bepaald worden op basis van 2 vragen naar deelname aan een “popconcert” en “muziekconcert of opera”. In 1999 werd de participatiegraad berekend op basis van een vijftal vragen, maar die verschilden van de vragen vanaf 2000 standaard werden opgenomen.
In het geval van concertbezoek sprake is er duidelijk sprake van sterke vraageffecten. Dat werd ook aangetoond in een experiment tijdens de jaren 2009 en 2010 waarbij de helft van de respondenten de oude vragen moest beantwoorden en de andere helft de nieuwe. Voor deze variabele is de vergelijkbaarheid in de tijd dus minder goed. De veranderingen in de vraagstelling zijn ook duidelijk zichtbaar in de grafiek.

Podiumkunsten: ook deze vraag werd uitgebreid door de jaren heen, met een opdeling tussen amateur- en professionele gezelschappen en tussen toneel en dans. In de beginjaren was er één vraag naar bijwonen van “een toneelstuk of balletvoorstelling”. Ondanks deze uitbreiding is de algemene participatiemaat vrij vergelijkbaar in de tijd. Toch kan niet uitgesloten worden dat de ruimere vraagstelling een effect heeft op de bekomen antwoorden.

 

Opmerkingen bij de kwaliteit

Omwille van de vergelijkbaarheid in de tijd werd voor de langere tijdreeksen van de specifieke cultuuractiviteiten de populatie afgebakend tot de 18- tot 75-jarige Vlamingen met Belgische nationaliteit. Voor de algemene cultuurparticipatie omvat de populatie alle 18-plussers (dus ook niet-Belgen).

De SCV-survey 'Sociaal-culturele Verschuivingen in Vlaanderen' is een jaarlijkse face-to-face survey bij een toevallige steekproef van Nederlandstalige inwoners in het Vlaamse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. De survey peilt naar opvattingen, overtuigingen en gedragingen van Vlamingen met betrekking tot maatschappelijk en beleidsrelevante thema's. Jaarlijks worden ongeveer 1.500 bruikbare interviews afgenomen. De responsgraad bedraagt circa 60%, maar is in de surveyjaren 2017 en 2018 teruggelopen tot respectievelijk 55 en 50%.

Er gaat veel aandacht naar het volgen van kwaliteitsrichtlijnen, zowel bij het uitwerken van de vragenlijst, de steekproeftrekking, het wegen van de data als de training van interviewers. Voor de gebruiker is het van belang te weten dat de percentages op basis van surveydata een schatting zijn van de overeenkomstige populatiepercentages binnen een interval. De grootte van dat interval is afhankelijk van het bekomen percentage en van de steekproefomvang. Bij een steekproefomvang van 1.500 respondenten bedraagt het betrouwbaarheidsinterval rond een gerapporteerd percentage van 50% ongeveer 5 procentpunten, dus tussen 47,5% en 52,5%. Voor gerapporteerde percentages van 20% of 80% is dat interval kleiner, maar voor kleinere groepen (bijvoorbeeld één opleidingsniveau of één gezinstype) is het interval groter.

Alle percentages en gemiddelden zijn gewogen. De gewichten die daarbij gebruikt worden, proberen de onder- of oververtegenwoordiging van bepaalde categorieën te compenseren. Die onder- of oververtegenwoordiging kan het gevolg zijn van onder meer steekproeffouten of verschillen in non-respons.

 

Referenties

Statistiek Vlaanderen: SCV-survey

 

Contact

Stel je vraag

 

Naar de statistiek