Sociale contacten

 

Bron

Belgische Gezondheidsenquête, Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen

 

Definities

Sociale netwerk: frequentie sociale contacten, tevredenheid over sociale contacten, mate van sociale ondersteuning.

Weinig sociale contacten: het percentage personen van 15 jaar en ouder met minder dan 1 keer per week contact met verwanten, kinderen, vrienden, kennissen. Gebaseerd op de vraag “Hoe vaak hebt u doorgaans contact met verwanten, kinderen, vrienden, kennissen…?“ met de antwoordmogelijkheden ‘Ten minste 1 keer per week, Ten minste 1 keer per maand, Ten minste 3 of 4 keer per jaar, Ten minste 1 keer per jaar, Helemaal niet’.

Ontevreden over sociale contacten: het percentage personen van 15 jaar en ouder dat de sociale contacten zeer onbevredigend en vrij onbevredigend noemt. Gebaseerd op de vraag “Hoe vindt u uw sociale contacten?” met de antwoordmogelijkheden ‘Zeer bevredigend , Vrij bevredigend, Vrij onbevredigend, Zeer onbevredigend’.

Zwakke sociale ondersteuning: het percentage personen van 15 jaar en ouder met een score van 3 tot 8 gebaseerd op de somscore van antwoorden op 3 vragen:

  • ‘Hoeveel personen staan u zo dichtbij dat u op hen kunt rekenen indien u met zware problemen geconfronteerd wordt?’ met de antwoordmogelijkheden ‘Geen enkele, 1 of 2, 3 tot 5, 6 of meer’;  
  • ‘In welke mate hebben mensen aandacht en interesse voor wat u doet?’ met de antwoordmogelijkheden ‘Veel, matig, dit weet ik niet zeker, weinig, helemaal niet’
  • ‘Hoe gemakkelijk is het om praktische hulp van buren te krijgen als dit nodig zou zijn?’ met de antwoordmogelijkheden ‘Zeer gemakkelijk, gemakkelijk, het is wellicht mogelijk, moeilijk, zeer moeilijk’.

De antwoordmogelijkheden op de 2 laatste vragen worden gespiegeld voor de berekening van de somscore (minimum 3 en maximum 13).

 

Opmerkingen bij de kwaliteit

De Belgische Gezondheidsenquêtes worden sinds 1997 met regelmaat georganiseerd door het vroegere Wetenschappelijk Instituut voor de Volksgezondheid (WIV), sinds 2017 Sciensano genoemd.

In 2013 werden 8.850 huishoudens gecontacteerd, waarvan er 5.049 deelnamen.

Per huishouden dat zijn medewerking verleent, worden telkens maximaal 4 personen geïnterviewd. De referentiepersoon van het huishouden en – indien van toepassing – de partner dienden steeds te worden bevraagd.

Meer informatie in het Methodologie rapport.  

In het Vlaamse Gewest namen in 2013 3.512 personen van 15 jaar en ouder deel aan het onderzoek. Elke geselecteerde persoon van 15 jaar en ouder uit een huishouden kreeg mondeling vragen over de gezondheid, het gezondheidsgedrag en de medische consumptie. Aspecten van de mentale gezondheid en vragen omtrent het alcohol- en tabaksgebruik, kwamen aan bod in een schriftelijke vragenlijst.

Leeftijd en geslacht zijn vaak belangrijke determinanten van gezondheidsindicatoren. Om verschillen tussen bevolkingsgroepen (bijvoorbeeld in functie van jaar, opleidingsniveau, verstedelijkingsgraad, gewest) goed te kunnen interpreteren is het nodig om het effect van leeftijd en geslacht te kunnen neutraliseren. Zo kan een verschil tussen lager en hoger opgeleiden gewoonweg te maken hebben met het feit dat er bij de ouderen veel meer lager opgeleiden zijn dan bij de jongeren. Dit kan aanleiding geven tot een foute interpretatie: het gemeten verschil weerspiegelt niet de samenhang tussen de indicator met het opleidingsniveau, maar wel met de leeftijd.

In de figuren worden cijfers gecorrigeerd voor verschillen naar geslacht en/of leeftijd gegeven, met de Belgische bevolking van 2013 als referentie. Dit zijn de cijfers die zouden worden bekomen indien de vergeleken groepen gelijk zouden zijn samengesteld voor wat het aantal vrouwen en mannen betreft en een identieke leeftijdsstructuur zouden hebben. Oorspronkelijk vastgestelde verschillen tussen groepen kunnen zo verdwijnen, gezien de verschillen (quasi) uitsluitend te wijten waren aan de verschillende samenstelling naar geslacht en leeftijd van die groepen.  

Meer detail over het feit of de verschillen tussen groepen al dan niet significant zijn is te vinden in de rapporten over de Gezondheidsenquête.

Het opleidingsniveau wordt gebruikt als indicator voor het socio-economisch niveau van het huishouden en van de leden ervan. Deze variabele wordt bepaald op basis van het hoogste opleidingsniveau van de referentiepersoon van het huishouden en zijn/haar partner. Dit opleidingsniveau wordt toegewezen aan alle leden van het huishouden.

Het urbanisatieniveau van de gemeente waar de respondent woont is gebaseerd op de gegevens van de ‘Socio-economische Enquête 2001’ en werd berekend in functie van een aantal morfologische en functionele karakteristieken van de gemeenten.

 

Referenties

Sciensano: Gezondheidsenquête

Sciensano: Sociale gezondheid

 

Contact

Stel je vraag

 

Naar de statistiek