Digitale vaardigheden

 

Bron

ICT-enquête bij huishoudens en individuen, Statbel & Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen

 

Definities

Eurostat creëerde een samengestelde variabele voor digitale vaardigheden op basis van 5 variabelen over de vaardigheid om informatie te verwerken, 4 variabelen over online communicatie, 9 over probleemoplossing en 6 over softwaregebruik. Alleen de mensen die in de voorbije drie maanden het internet gebruikten, krijgen een score voor deze variabelen.

Men heeft basisvaardigheden voor ‘informatie’ als men 1 van volgende handelingen stelt of 1 van de toepassingen gebruikt. Als men minstens 2 van de handelingen uitvoert, heeft men meer gevorderde vaardigheden:

  • bestanden of mappen kopiëren of verplaatsen;
  • om privéredenen opslagruimte op het internet gebruiken om documenten, afbeeldingen, muziek, video’s of andere bestanden op te slaan (bv. iCloud, Google Drive, Dropbox, OneDrive, Amazon Cloud Drive);
  • informatie verkrijgen uit websites van de overheid;
  • vinden van informatie over goederen of diensten;
  • zoeken naar informatie in verband met gezondheid, bv. over ziekte, verwondingen, voeding of verbetering van de gezondheid.

Men heeft basisvaardigheden voor ‘communicatie’ als men 1 van volgende handelingen stelt of 1 van de toepassingen gebruikt. Als men minstens 2 van de handelingen uitvoert, heeft men meer gevorderde vaardigheden:

  • versturen en/of ontvangen van e-mails;
  • om privéredenen het internet gebruiken om aan sociale netwerken (bv. Facebook, Twitter, MySpace, Skyrock, Netlog, Google+) deel te nemen: een gebruikersprofiel aanmaken, berichten versturen of een andere inbreng aan een of meerdere sociale netwerken;
  • telefoneren over het internet (bv. Skype of VoIP) of videogesprekken houden via een webcam over het internet (bv. Skype, FaceTime);
  • eigen gecreëerd materiaal zoals tekst, beeldbestanden, foto’s, videobestanden, software of muziek uploaden naar om het even welke website met de bedoeling het te delen.

Voor de beoordeling van de vaardigheden op vlak van ‘probleemoplossing’ gebruikt men 2 lijsten. Als men handelingen uit één lijst stelt, heeft men basisvaardigheden. Als men handelingen stelt uit beide lijsten, heeft men meer gevorderde vaardigheden.

Lijst 1:

  • bestanden tussen computers, elektronische handapparaten of andere apparatuur overbrengen (bv. vanuit een digitale camera naar een computer of vanuit een computer naar een externe harde schijf, USB-stick, gsm, smartphone, mp3- of mp4-speler of omgekeerd);
  • software of applicaties (apps) installeren;
  • configuratieparameters van om het even welke software (met inbegrip van besturingssystemen en beveiligingsprogramma’s) wijzigen.

Lijst 2:

  • goederen of diensten voor privégebruik kopen of bestellen via een website of via een app;
  • verkoop van goederen of diensten, bv. via eBay;
  • e-learning: of een onlinecursus volgen, of gebruik maken van ander onlineleermateriaal dan een volledige onlinecursus (bv. gebruik van audiovisueel materiaal, onlinestudiesoftware, elektronische studie- of handboeken), of communiceren met opleiders of studenten via opleidingswebsites of -portalen;
  • internetbankieren.

Voor de beoordeling van de vaardigheden op vlak van ‘software’ gebruikt men 2 lijsten. Als men alleen handelingen uit lijst 1 stelt, heeft men basisvaardigheden. Als men handelingen uit lijst 2 stelt, heeft men meer gevorderde vaardigheden.

Lijst 1:

  • gebruik maken van een tekstverwerker (bv. Microsoft Word, Apache OpenOffice Writer, WordPerfect);
  • gebruik maken van een rekenblad/spreadsheet (bv. Microsoft Excel, Apache OpenOffice Calc, Quattro Pro, Gnumeric);
  • gebruik maken van software om foto’s, videoclips of geluidsfragmenten te bewerken.

Lijst 2:

  • maken van elektronische presentaties of documenten met tekst, afbeeldingen, tabellen of grafieken;
  • schrijven van een computerprogramma in een gespecialiseerde programmeertaal;
  • gebruik maken van een geavanceerde functies van een rekenblad.

Berekening samengestelde variabele digitale vaardigheden:

  • 0: men voldoet voor informatie, communicatie, probleemoplossing en voor software niet aan de voorwaarden voor de basisvaardigheden.
  • Laag: men voldoet voor 1 tot 3 van de subvaardigheden (informatie, communicatie, probleemoplossing en software) niet aan de voorwaarden voor de basisvaardigheden.
  • Basis: men heeft voor al de subvaardigheden minstens het niveau van de basisvaardigheden, en minstens 1 van deze subvaardigheden is niet hoger dan het basisniveau.
  • Meer dan basis: men heeft voor al de subvaardigheden meer gevorderde vaardigheden.

Het onderwijsniveau is gebaseerd op de internationaal erkende ISCED-indeling (International Standard Classification of Education). Laaggeschoolden zijn diegenen die ofwel geen diploma hebben ofwel ten hoogste een diploma van lager secundair onderwijs (eerste graad)(ISCED 0-2). Middengeschoolden hebben als hoogste diploma een van hoger secundair of "postsecundair" (niet hoger) onderwijs (ISCED 3-4). Hooggeschoolden hebben een diploma hoger onderwijs (ISCED 5-6).

De groep met het laagste inkomen zijn de personen uit huishoudens met een inkomen van 1.199 euro per maand of minder; de tweede groep de personen uit huishoudens met een inkomen tussen 1.200 en 1.899 euro per maand; de derde groep de personen uit huishoudens met een inkomen tussen 1.900 en 2.999 euro per maand; en de groep met het hoogste inkomen de personen uit huishoudens met 3.000 euro per maand of meer.

 

Opmerkingen bij de kwaliteit

De enquête over ICT- en internetgebruik bij huishoudens en individuen (ICT-enquête bij huishoudens en individuen) is een jaarlijks door Eurostat gecoördineerde bevraging in de lidstaten van de Europese Unie. Voor de organisatie van de bevraging en voor de verwerking van de Belgische cijfers is Statbel (de Algemene Directie Statistiek van de FOD Economie, Statistics Belgium) verantwoordelijk.

De steekproef van de ICT-enquête bij huishoudens en individuen is in België een deelsteekproef van de enquête naar de arbeidskrachten (EAK). Na het afnemen van de enquête naar de arbeidskrachten vraagt de interviewer of de laatst verjaarde persoon van het huishouden van minstens 16 jaar en jonger dan 75 jaar zelfstandig de ICT-enquête wil invullen. Sinds 2009 worden er twee methodes van dataverzameling gebruikt: CAWI (Computer Assisted Web Interviewing) via een webapplicatie; SAPQ (Self Administered Paper Questionnaire) via een papieren formulier. Vóór 2009 werd de enquête mondeling afgenomen door een enquêteur. Er is een rappel met nieuwe vragenlijst voorzien als het huishouden na 14 dagen nog niet heeft geantwoord.

De huishoudens die voor de ICT-enquête in aanmerking komen, zijn de privéhuishoudens met ten minste één persoon in de leeftijdsrange van 16 tot en met 74 jaar die voor het eerste of tweede trimester deelnemen aan de doorlopende enquête naar de arbeidskrachten. Het veldwerk loopt van januari tot eind augustus. Vóór de hervorming van de EAK in 2017 volstond het tweede kwartaal om voldoende huishoudens te hebben en liep het veldwerk van april tot in augustus.

Na validatie bleven 6.033 huishoudens over. Dat is 63,6% van de huishoudens die aan de enquête naar de arbeidskrachten 2017 deelgenomen hebben en op basis van het vermelde leeftijdscriterium in aanmerking kwamen voor de ICT-enquête bij huishoudens en individuen, en 47,7% van de initiële brutosteekproef van de enquête naar de arbeidskrachten 2017 met uitsluiting van de huishoudens waarbij niet voldaan is aan bovenstaand leeftijdscriterium. De 6.033 huishoudens, die de nettosteekproef vormen, zijn als volgt over de drie gewesten verdeeld: 712 uit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, 3.199 uit het Vlaamse Gewest en 2.122 uit het Waalse Gewest.

 

Referenties

Statbel: ICT-gebruik in huishoudens

Eurostat: ICT-gebruik in huishoudens

 

Contact

Stel je vraag

 

Naar de statistiek