Aspecten van werktijd- en werkplaatsregeling

  • Bijna 12% van werkenden doet avondwerk, 3,5% nachtwerk

    In 2019 bedroeg het aandeel werkenden in het Vlaamse Gewest dat minstens de helft van de werkdagen avondwerk verricht 11,6%. Het aandeel schommelde rond 15% in de periode 1999-2010, gevolgd door een daling tot 9,8% in 2016. Daarna steeg het aandeel weer.

    Het aandeel werkenden met nachtwerk gedurende minstens de helft van de werkdagen lag in de periode 1999-2019 veel lager dan het aandeel met avondwerk. Het aandeel met nachtwerk daalde geleidelijk van 5,3% in 1999 tot 3,5% in 2019.

  • Meer mannen dan vrouwen met avondwerk en nachtwerk

    In 2019 bedroeg het aandeel werkende mannen met avondwerk in het Vlaamse Gewest 13,9%. Bij vrouwen ging het om 9,0%. Bij mannen en vrouwen daalde het aandeel tussen 1999 en 2019.

    Het aandeel werkende mannen met nachtwerk lag in de periode 1999-2019 op 4,7% tegenover 2,2% bij vrouwen. Ook hier was er bij mannen en vrouwen een daling in de periode 1999-2019.

  • Lager aandeel werkenden met avond- en nachtwerk in Vlaams Gewest dan EU-gemiddelde

    In 2019 lag het aandeel werkenden met avondwerk in het Vlaamse Gewest (11,6%) hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (9,1%) en het Waalse Gewest (10,1%).
    In de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk (EU28) bedroeg het aandeel werkenden met avondwerk in 2019 gemiddeld 14,2%. In de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk (EU27) ging het om 14,7%. Het Vlaamse Gewest scoorde beduidend lager dan het EU28- en EU27-gemiddelde. 
    Griekenland kende met 38,4% het hoogste aandeel werkenden met avondwerk, gevolgd door Nederland (29,6%) en Slovakije (23,2%). Frankrijk (4,4%) had het laagste percentage, voorafgegaan door Kroatië (5,5%) en Polen (7,2%). 

    Het aandeel werkenden met nachtwerk lag in 2019 in het Vlaamse Gewest (3,5%) iets lager dan in het Waalse Gewest (4,1%) en iets hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (3,0%). 
    In de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk (EU28) bedroeg het aandeel werkenden met nachtwerk in 2019 gemiddeld 5,4%. In de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk (EU27) ging het om 5,3%. Dat is hoger dan in het Vlaamse Gewest.
    Slovakije (15,0%) had het hoogste aandeel met nachtwerk, gevolgd door Malta (9,4%), Slovenië (8,7%) en Nederland (8,4%). Polen (2,3%) had het laagste percentage, voorafgegaan door Kroatië (2,5%) en Portugal (2,7%).

  • Ruim 23% werkenden met zaterdagwerk, 13% met zondagwerk

    Het aandeel werkenden in het Vlaamse Gewest dat minstens op 2 zaterdagen per maand werkt, bedroeg 23,4% in 2019, tegenover 19,1% in 1999.

    Het aandeel werkenden dat minstens op 2 zondagen per maand werkt, lag veel lager dan het aandeel met zaterdagwerk. Het aandeel met zondagwerk nam toe van 9,8% in 1999 tot 13,2% in 2019.

  • Gelijk aandeel mannen en vrouwen met zaterdagwerk en zondagwerk

    Bij werkende mannen lag het aandeel met zaterdagwerk in 2019 op 23,5%, bij vrouwen op 23,3%. Bij mannen steeg dat aandeel sterker sinds 1999.

    Het aandeel werkende mannen met zondagwerk lag in 2019 op 12,9% tegenover 13,6% bij vrouwen. Het aandeel steeg iets meer bij mannen in de periode 1999-2019.

  • Aandeel werkenden met zaterdag- en zondagwerk in Vlaams Gewest lager dan EU-gemiddelde

    In 2019 lag het aandeel werkenden met zaterdagwerk in het Vlaamse Gewest (23,4%) iets hoger dan in het Waalse Gewest (23,0%) en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (18,8%). 
    In de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk (EU28) bedroeg het aandeel werkenden met zaterdagwerk in 2019 25,0% en in de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk (EU27) 24,8%. Het Vlaamse Gewest bevond zich in de middengroep, iets onder het EU28- en EU27-gemiddelde. 
    Er zijn zeer grote verschillen tussen de EU-landen. Griekenland (40,7%) kende het hoogste aandeel, gevolgd door Italië (35,7%) en Cyprus (32,1%). Portugal (8,3%) had het laagste percentage, voorafgegaan door Hongarije (8,5%) en Polen (11,7%). 

    In 2019 lag het aandeel werkenden met zondagwerk in het Vlaamse Gewest (13,2%) iets hoger dan in het Waalse Gewest (12,4%) en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (9,3%). 
    In de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk (EU28) lag het aandeel werkenden met zondagwerk in 2019 gemiddeld op 14,0%. In de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk (EU27) ging het om 13,4%. Het Vlaamse Gewest bevindt zich hier in de lagere middengroep, onder het EU28- en EU27-gemiddelde. 
    De verschillen tussen de EU-landen zijn groot. Nederland (19,6%) kende het hoogste aandeel, gevolgd door Ierland (19,3%) en Spanje (18,2%). Portugal (4,7%) had het laagste percentage, voorafgegaan door Polen (5,6%) en Hongarije (6,1%).

  • Ploegenarbeid bij ruim 8% werknemers, thuiswerk bij 26% werkenden

    Het aandeel Vlaamse werknemers met ploegenarbeid lag in 2019 op 8,1% tegenover 10,2% in 1999. Sinds 2012 bleef het aandeel vrijwel constant.

    Het aandeel werkenden dat in mindere of meerdere mate thuis werkt, steeg vrij sterk en bijna continu, van 12,9% in 1999 tot 26,3% in 2019.

  • Meer mannen dan vrouwen met ploegenarbeid, geen verschil voor thuiswerk

    Het aandeel werknemers met ploegenarbeid lag bij mannen in 2019 op 9,5% tegenover 12,0% in 1999. Bij vrouwen daalde het aandeel van 7,7% in 1999 tot 6,5% in 2019.

    Het aandeel werkenden met thuiswerk steeg sterk bij mannen en vrouwen tussen 1999 en 2019. Bij mannen steeg het van 13,7% in 1999 tot 26,1% in 2019, bij vrouwen van 11,9% tot 26,4%.

  • Aandeel werknemers met ploegenarbeid in Vlaams Gewest ver onder EU-gemiddelde

    In 2019 lag het aandeel werknemers met ploegenarbeid in het Vlaamse Gewest (8,1%) hoger dan in het Waalse Gewest (6,4%) en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (3,1%).

    In de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk (EU28) en de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk (EU27) lag het aandeel werknemers dat in ploegen werkt in 2019 gemiddeld op 18,4%. Het Vlaamse Gewest bevindt zich in de groep met de laagste percentages, ver onder het EU28- en EU27-gemiddelde.
    De verschillen tussen de EU-landen zijn zeer groot. Slovenië (35,8%) had het hoogste aandeel, gevolgd door Kroatië (33,6%) en Polen (31,4%). Frankrijk (6,6%) kende het laagste percentage, voorafgegaan door België (7,1%) en Denemarken (7,9%).

  • Hoger aandeel werkenden met thuiswerk in Vlaams Gewest dan EU-gemiddelde

    In 2019 lag het aandeel werkenden dat in mindere of meerdere mate thuis werkt in het Vlaamse Gewest (26,3%) hoger dan in het Waalse Gewest (20,9%), maar iets lager dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (28,2%).

    In de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk (EU28) lag het aandeel werkenden met thuiswerk in 2019 gemiddeld op 16,3%. In de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk (EU27) ging het om 14,6%. Het aandeel thuiswerkers lag in het Vlaamse Gewest dus beduidend hoger dan het EU28- en EU27-gemiddelde.
    De verschillen tussen de EU-landen zijn zeer groot. Nederland (39,7%) kende het hoogste aandeel, gevolgd door Zweden (38,3%) en Luxemburg (33,1%). Bulgarije (1,1%) had het laagste percentage, voorafgegaan door Roemenië (1,4%) en Cyprus (2,6%).

Bronnen

Publicatiedatum

7 mei 2020

Volgende update

mei 2021

Meer cijfers

Contact

Vorige versies