Beroepsstatuut

  • Werkende bevolking telt 13% zelfstandigen

    In 2019 lag het aandeel zelfstandigen voor de hoofdactiviteit in de werkende bevolking van 20 tot 64 jaar in het Vlaamse Gewest op 13,0%. Het aandeel zelfstandigen schommelde in de periode 1999-2019 tussen 12,8% en 14,0%.

  • Lager aandeel zelfstandigen bij vrouwen dan bij mannen

    Het aandeel zelfstandigen lag bij mannen in 2019 op 16,2% en schommelde in de periode 1999-2019 tussen 16% en 18%. 
    Bij vrouwen lag het aandeel zelfstandigen in 2019 op 9,4%. In de periode 1999-2019 varieerde dat aandeel tussen 8% en 10%.

  • Hoogste aandeel zelfstandigen bij 50-plussers

    Het aandeel zelfstandigen lag in de periode 1999-2019 het hoogst bij de 50- tot 64-jarigen, maar het daalde in deze groep van 21,1% in 1999 tot 15,5% in 2019.
    Bij de 35- tot 49-jarigen bedroeg het aandeel zelfstandigen in 2019 13,8%. Dat is iets lager dan in de periode 2005-2017.
    Bij de 20- tot 34-jarigen lag het aandeel zelfstandigen in de hele periode lager. In 2019 bedroeg het 9,4% en in de periode 1999-2019 schommelde het tussen 8% en 10%.

  • Aandeel zelfstandigen laagst bij laaggeschoolden

    In 2019 lag het aandeel zelfstandigen bij laaggeschoolde personen (25 tot 64 jaar) op 10,6% tegenover 13,4% in 1999.
    Bij middengeschoolde personen daalde dat aandeel van 15,1% in 1999 tot 12,7% in 2019.
    Bij hooggeschoolde personen daarentegen steeg het aandeel van 14,6% in 1999 tot 15,3% in 2019.

  • Laagste aandeel zelfstandigen bij alleenstaanden met kinderen

    In 2019 lag het aandeel zelfstandigen bij alleenstaanden zonder kinderen ten laste op 14,4% tegenover 12,5% in 2012.
    Bij alleenstaanden met kinderen steeg dat aandeel van 8,8% in 2012 tot 11,3% in 2019.
    Van de koppels zonder kinderen werkte in 2019 12,2% als zelfstandige tegenover 13,6% in 2012.
    Bij koppels met kinderen nam het aandeel zelfstandigen toe van 13,9% in 2012 tot 15,2% in 2019.

  • Lager aandeel zelfstandigen bij werkenden met hinder door handicap of langdurig gezondheidsprobleem

    In 2019 lag het aandeel zelfstandigen bij werkenden met hinder wegens een handicap of langdurig gezondheidsprobleem op 11,4% tegenover 14,1% bij werkenden zonder hinder. Voor beide groepen bleef het aandeel zelfstandigen vrij stabiel vanaf 2016.

  • Lager aandeel zelfstandigen bij personen geboren buiten de EU

    In 2019 lag het aandeel zelfstandigen bij personen geboren in België op 13,3%. Dat aandeel schommelde sinds 2007 tussen 12,8% en 14,0%.
    Bij personen geboren in een ander EU-land daalde het aandeel zelfstandigen van 17,8% in 2007 tot 13,2% in 2019.
    Bij personen geboren buiten de EU lag het aandeel zelfstandigen in 2019 op 9,1% tegenover 15,3% in 2007.

  • Aandeel zelfstandigen in Vlaams Gewest iets lager dan EU-gemiddelde

    In 2019 lag het aandeel zelfstandigen in de werkende bevolking van 20 tot 64 jaar in het Vlaamse Gewest (13,0%) iets hoger dan in het Waalse Gewest (12,0%) en lager dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (16,3%).

    In de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk (EU28) lag het aandeel zelfstandigen in 2019 gemiddeld op 13,8% en in de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk (EU27) op 13,6%. Dat is iets hoger dan in het Vlaamse Gewest.
    Griekenland kende met 28,0% veruit het hoogste aandeel zelfstandigen, gevolgd door Italië (20,4%) en Polen (17,5%). Luxemburg (7,4%) had het laagste percentage zelfstandigen, voorafgegaan door Denemarken (7,7%) en Duitsland (8,8%).

Bronnen

Definities

Zelfstandigen: werkende personen die voor de hoofdactiviteit niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst en onderworpen zijn aan het sociaal statuut van zelfstandigen: zelfstandigen in hoofdberoep, zelfstandige helpers, zaakvoerders, bestuurders en werkende vennoten.

Publicatiedatum

7 mei 2020

Volgende update

mei 2021

Meer cijfers

Contact

Vorige versies