Deeltijdarbeid

  • 1 op 4 werkenden deeltijds aan de slag

    Het aandeel werkenden van 20 tot 64 jaar met deeltijdarbeid lag in het Vlaamse Gewest in 2019 op 25,3%. In 2005 bedroeg dat aandeel 22,2%.

  • Veel meer deeltijds werkende vrouwen dan mannen

    Het aandeel deeltijds werkende vrouwen steeg van 41,9% in 2005 tot 45,0% in 2012 en daalde dan weer tot 42,6% in 2019.
    Bij werkende mannen lag het aandeel met een deeltijdbaan veel lager maar nam wel toe van 6,6% in 2005 tot 9,9% in 2019.

  • Aandeel deeltijds werkenden hoogst bij 55-plussers

    Het aandeel deeltijds werkenden van 55 tot 64 jaar lag in de periode 2005-2019 hoger dan bij de andere leeftijdsgroepen. Bovendien kende de groep de sterkste stijging over de jaren: van 26,6% in 2005 tot 37,6% in 2019.
    Bij de 20-34-jarigen steeg het aandeel met een deeltijdbaan van 16,4% in 2005 tot 20,0% in 2019.
    Bij de groep van 35 tot 44 jaar schommelde het aandeel deeltijds werkenden in de periode 2005-2019 telkens rond 24%. In 2019 bedroeg het 24,2%.
    Het aandeel deeltijds werkenden steeg bij de 45-54-jarigen van 25,6% in 2005 tot 28,9% in 2012, maar daalde daarna tot 24,4% in 2019.

  • Meer deeltijdarbeid bij laaggeschoolden

    In 2019 lag het aandeel deeltijds werkenden bij laaggeschoolden op 27,5% tegenover 25,3% in 2005. Bij middengeschoolde personen steeg het aandeel met deeltijdarbeid van 23,3% in 2005 tot 26,5% in 2019. Bij hooggeschoolden was er een stijging van 20,3% in 2005 tot 23,0% in 2019.
    Tussen 2005 en 2015 nam het verschil tussen
    het aandeel laaggeschoolden en hooggeschoolden in deeltijdarbeid toe. Daarna nam het verschil weer af.

  • Hoogste aandeel deeltijds werkenden bij alleenstaanden met kinderen

    In 2019 lag het aandeel deeltijds werkenden bij alleenstaanden zonder kinderen ten laste op 19,8% tegenover 19,3% in 2012.
    Bij alleenstaanden met kinderen lag dat aandeel in 2019 op 29,3%, iets lager dan in 2012 (29,5%).
    Bij de koppels zonder kinderen werkte in 2019 27,2% deeltijds tegenover 26,3% in 2012.
    Bij koppels met kinderen steeg het aandeel met deeltijdarbeid van 25,8% in 2012 tot 26,7% in 2019.

  • Hoog aandeel deeltijdarbeid bij werkenden met hinder door handicap of langdurig gezondheidsprobleem

    In 2019 lag het aandeel deeltijds werkenden bij personen met hinder wegens een handicap of langdurig gezondheidsprobleem op 42,8% tegenover 40,2% in 2009.
    Bij personen zonder hinder steeg dat aandeel van 22,7% in 2009 tot 24,0% in 2019.

  • Aandeel deeltijds werkenden in Vlaams Gewest hoger dan EU-gemiddelde

    In 2019 lag het aandeel deeltijds werkende personen in het Vlaamse Gewest (25,3%) hoger dan in het Waalse Gewest (23,0%) en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (21,0%).

    In de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk (EU28) bedroeg het aandeel deeltijds werkenden in 2019 gemiddeld 18,5%. In de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk (EU27) ging het om 17,8%. In het Vlaamse Gewest lag het aandeel dus hoger dan het EU28- en EU27-gemiddelde.
    De verschillen tussen de EU-landen zijn zeer groot. Nederland kende in 2019 veruit het hoogste aandeel deeltijds werkenden (46,8%), gevolgd door Oostenrijk (27,5%) en Duitsland (27,2%). Bulgarije had de laagste score (1,8%), voorafgegaan door Hongarije (4,3%) en Slovakije (4,5%).

Bronnen

Definities

Deeltijdarbeid: het onderscheid tussen voltijds en deeltijds werken wordt bepaald op basis van het antwoord van de respondenten zelf. Deeltijds werkenden zijn dus diegenen die zelf aangeven deeltijds te werken.

Publicatiedatum

7 mei 2020

Volgende update

mei 2021

Meer cijfers

Contact

Vorige versies