Leerlingenkenmerken

  • 21,5% kleuters met thuistaal niet-Nederlands, 19% bij leerlingen in lagere school

    In het schooljaar 2015-2016 had 21% van de leerlingen in het gewoon kleuteronderwijs een laagopgeleide moeder. 20% ontving een schooltoelage. Daarnaast had 21,5% van de kleuters een niet-Nederlandse thuistaal en woonde 27% in een buurt met een hoge mate van schoolse vertraging. Dat is iets meer dan het aandeel van 25% in het volledige gewoon basisonderwijs.

    Deze 4 kenmerken (laagopgeleide moeder, schooltoelage, thuistaal niet-Nederlands en wonen in buurt met een hoge mate van schoolse vertraging) worden de leerlingenkenmerken genoemd. Het zijn deze kenmerken die het sociaal profiel van een school bepalen.

    In het gewoon lager onderwijs had in het schooljaar 2015-2016 21% van de leerlingen een laagopgeleide moeder en had 19% niet het Nederlands als thuistaal. Daarnaast ontving 24,5% een schooltoelage en woonde 24% in een buurt met een hoge mate van schoolse vertraging. Dat is iets minder dan het aandeel van 25% in het volledige gewoon basisonderwijs.

    De meeste van deze aandelen zijn sinds het schooljaar 2008-2009 weinig veranderd. Enkel bij het aandeel leerlingen met thuistaal niet-Nederlands is er sprake van een duidelijke stijging.

  • In deeltijds secundair onderwijs hogere aandelen dan in voltijds gewoon secundair onderwijs

    Er zijn grote verschillen tussen het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds secundair onderwijs. Op alle leerlingenkenmerken scoren de leerlingen uit het deeltijds onderwijs hoger (minder gunstig) dan leerlingen uit het voltijds onderwijs.

    Het grootst is het verschil op het kenmerk laagopgeleide moeder. In het deeltijds onderwijs had in het schooljaar 2015-2016 58% een laagopgeleide moeder, tegenover 23% in het voltijds onderwijs. Een groot verschil is er ook op vlak van het buurtkenmerk. In het deeltijds onderwijs woont 45,5% in een buurt met een hoge mate van schoolse vertraging. Dat is beduidend meer dan het aandeel van 25% van het volledige gewoon secundair onderwijs. Voor thuistaal niet-Nederlands zijn de aandelen 26% in het deeltijds en 14% in het voltijds onderwijs, voor het ontvangen van een schooltoelage 37% en 27%.

    De aandelen zijn sinds 2008-2009 weinig veranderd in het voltijds onderwijs. Het aandeel leerlingen met thuistaal niet-Nederlands stijgt wel gestaag. Dat is ook het geval in het deeltijds onderwijs. In het deeltijds onderwijs is daarnaast nog een stijging van het aandeel leerlingen met een schooltoelage vast te stellen. Het aandeel leerlingen met een laagopgeleide moeder en het aandeel dat voldoet aan de buurtindicator dalen echter in het deeltijds onderwijs.

  • Leerlingen uit Brussels Gewest tikken meer aan dan leerlingen uit Vlaams Gewest

    Leerlingen uit het Vlaamse Gewest tikken minder aan voor de leerlingenkenmerken dan leerlingen uit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Die vaststelling geldt voor alle leerlingenkenmerken en voor alle onderwijsniveaus (met uitzondering van aandeel leerlingen met schooltoelage in het deeltijds secundair). In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gaat het enkel om de leerlingen ingeschreven in het Vlaams onderwijs.

    Vrijwel alle leerlingen uit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wonen in een buurt met een hoge mate van schoolse vertraging. Ook de aandelen thuistaal niet-Nederlands liggen veel hoger bij leerlingen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest dan bij leerlingen in het Vlaamse Gewest.

  • OKAN-leerlingen en BSO-leerlingen tikken vaakst aan, ASO-leerlingen minst vaak

    Leerlingen in het secundair onderwijs vertonen aanzienlijke verschillen wat de leerlingenkenmerken betreft, afhankelijk van de onderwijsvorm.
    Leerlingen uit het onthaalonderwijs anderstalige nieuwkomers (OKAN) en uit het beroepssecundair onderwijs (BSO) tikken het vaakst aan voor de leerlingenkenmerken, leerlingen uit het algemeen secundair onderwijs (ASO) het minst vaak. De grootste verschillen tussen het BSO en ASO zijn er in het aandeel leerlingen met een laagopgeleide moeder en in het aandeel dat een schooltoelage geniet. Naar thuistaal zijn de verschillen minder groot.
    De verschillen tussen OKAN en ASO zitten (naast de thuistaal) vooral in het hoger aandeel leerlingen met een laagopgeleide moeder. Ook wonen de OKAN-leerlingen veel meer in een buurt met een hoge mate aan schoolse vertraging dan leerlingen uit het ASO.

Bronnen

Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming:

Agentschap Onderwijsdiensten: Cijfermateriaal
 

Definities

Laagopgeleide moeder: een leerling tikt aan op dit kenmerk als de moeder maximaal lager secundair onderwijs afgewerkt heeft. Als het opleidingsniveau niet gekend is, tikt de leerling niet aan.
Buurt met een hoge mate van schoolse vertraging: een leerling tikt aan op dit kenmerk als hij behoort tot de 25% leerlingen die in de buurten met de hoogste schoolse vertraging wonen. De schoolse vertraging van een buurt wordt berekend als het aandeel 15-jarige leerlingen van de 6 afgelopen schooljaren, woonachtig in de buurt, met een schoolse vertraging van 2 jaar of meer. Leerlingen die behoren tot de trekkende bevolking en thuislozen tikken altijd aan op deze indicator.
Niet-Nederlandse thuistaal: in het Nederlandstalig onderwijs is de taal die een leerling in het gezin spreekt niet-Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

Publicatiedatum

20 december 2018

Volgende update

maart 2019

Meer cijfers

Contact