Aandeel industrie in de bruto toegevoegde waarde en de werkgelegenheid

  • Industrie goed voor 16% van bruto toegevoegde waarde en 12% van werkgelegenheid

    In 2020 vertegenwoordigde de industrie in het Vlaamse Gewest een aandeel van 15,8% in de totale bruto toegevoegde waarde en van 12,4% in de totale werkgelegenheid.

    Tussen 2005 en 2020 is het belang van de industrie gedaald, zowel gemeten volgens de bruto toegevoegde waarde als volgens de werkgelegenheid. Het aandeel in de bruto toegevoegde waarde daalde tussen 2005 en 2020 met 5,1 procentpunten. De achteruitgang was het sterkst tot in 2009 (financieel-economische crisis). Nadien was de daling minder uitgesproken.

    Het aandeel in de werkgelegenheid nam met -4,7 procentpunten af. De daling gebeurde hier meer geleidelijk in de tijd dan bij de bruto toegevoegde waarde.

    Het is vooral de sector van de investeringsgoederen die aan belang verloor (productie van elektrische en elektronische apparatuur, van machines, apparaten en werktuigen en van transportmiddelen). Voor de sectoren van de consumptiegoederen (voeding en kleding) en van de intermediaire goederen (chemie, farmacie, metaalindustrie) was er geen sprake van een daling (bruto toegevoegde waarde) of lag de daling lager (werkgelegenheid).

  • Belang industrie in Vlaams Gewest komt overeen met Europees gemiddelde

    In 2017 kwam het Vlaamse aandeel van de industrie in de bruto toegevoegde waarde op 16,6%. Het Waalse Gewest scoorde lager (14,6%). Maar in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, met zijn typische diensteneconomie, lag dat aandeel nog veel lager (2,5%). Dit beeld komt ook terug bij het aandeel van de industrie in de werkgelegenheid: 12,6% in het Vlaamse Gewest tegenover 10,3% in het Waalse Gewest en 2,7% in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

    Het verschil tussen het Vlaamse Gewest en het gemiddelde van de Europese Unie is niet heel groot, zeker niet voor de bruto toegevoegde waarde. Voor het aandeel in de werkgelegenheid scoren de EU27 en EU28 iets hoger dan het Vlaamse Gewest.

    De industrie is duidelijk belangrijker in de economieën van de Oost-Europese landen. Tsjechië scoort het hoogst op beide maatstaven. Van onze buurlanden haalt Duitsland hoge cijfers. In Frankrijk en Nederland is de industrie naar verhouding minder belangrijk dan in het Vlaamse Gewest.

Bronnen

Instituut voor de Nationale Rekeningen: Regionale rekeningen
Eurostat: National Accounts – detailed breakdowns

Definities

Bruto toegevoegde waarde:  het verschil tussen de marktwaarde van de goederen en diensten die in 1 jaar zijn geproduceerd en de marktwaarde van de in het productieproces verbruikte goederen en diensten.
Industrie: de sector industrie omvat de winning van delfstoffen en de verwerkende nijverheid, maar niet de petroleumraffinage.
Werkgelegenheid:  het totaal aantal personen (loontrekkenden en zelfstandigen) aan het werk in een land of regio.

Publicatiedatum

10 september 2020

Volgende update

september 2021

Meer cijfers

Contact

Vorige versies