Aandeel industrie in de bruto toegevoegde waarde en de werkgelegenheid

  • Industrie goed voor 17% van bruto toegevoegde waarde en 12% van werkgelegenheid

    Het aandeel van de industrie wordt voor 2021 in het Vlaamse Gewest geschat op 16,6% van de totale bruto toegevoegde waarde en 12,1% van de totale werkgelegenheid.

    Tussen 2010 en 2021 nam het belang van de industrie af, sterker in de werkgelegenheid dan in de bruto toegevoegde waarde. Het aandeel in de bruto toegevoegde waarde daalde tussen 2010 en 2021 met 0,8 procentpunten, vooral tussen 2010 en 2016. Daarna bleef het aandeel min of meer stabiel. Het aandeel in de werkgelegenheid nam met 2,3 procentpunten af. De daling gebeurde hier meer geleidelijk in de tijd dan bij de bruto toegevoegde waarde.

    Het zijn vooral de sectoren van de investeringsgoederen (productie van elektrische en elektronische apparatuur, van machines, apparaten en werktuigen en van transportmiddelen) en van de consumptiegoederen (voeding en kleding) die aan belang verloren tussen 2010 en 2021. Bij de sector van de intermediaire goederen (chemie, farmacie, metaalindustrie) was er geen sprake van een daling volgens de bruto toegevoegde waarde, maar wel volgens de werkgelegenheid. 

  • Aandeel Vlaamse industrie in bruto toegevoegde waarde komt overeen met Europees gemiddelde

    In 2018 lag het aandeel van de industrie in de bruto toegevoegde waarde van het Vlaamse Gewest op 16,3%. Het Waalse Gewest had een geringer aandeel (14,7%). Maar in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, met zijn typische diensteneconomie, lag dat aandeel nog veel lager (2,4%). Hetzelfde beeld komt ook terug bij het aandeel van de industrie in de werkgelegenheid: 12,5% in het Vlaamse Gewest tegenover 10,3% in het Waalse Gewest en 2,6% in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

    Het verschil tussen het Vlaamse Gewest en het gemiddelde van de Europese Unie is niet heel groot voor de bruto toegevoegde waarde. Voor het aandeel in de werkgelegenheid scoren de EU27 en EU28 iets hoger dan het Vlaamse Gewest.

    In de Oost-Europese lidstaten is de industrie belangrijker in het economisch weefsel. Tsjechië scoort het hoogst op beide maatstaven. Opvallend zijn ook de relatief hoge waarden van Duitsland. In Frankrijk en Nederland is de industrie naar verhouding minder belangrijk dan in het Vlaamse Gewest.

Bronnen

Instituut voor de Nationale Rekeningen: Regionale rekeningen 

Definities

Bruto toegevoegde waarde:  het verschil tussen de marktwaarde van de goederen en diensten die in 1 jaar zijn geproduceerd en de marktwaarde van de in het productieproces verbruikte goederen en diensten.
Industrie: de sector industrie omvat de winning van delfstoffen en de verwerkende nijverheid, maar niet de petroleumraffinage.
Werkgelegenheid:  het totaal aantal personen (loontrekkenden en zelfstandigen) aan het werk in een land of regio.

Publicatiedatum

23 september 2021

Volgende update

september 2022

Meer cijfers

Contact

Vorige versies