Bevolking in een huishouden met zeer lage werkintensiteit

  • 7% van de bevolking tot 60 jaar leeft in huishouden waar niet of beperkt wordt gewerkt

    In 2019 leefde 7% van de Vlamingen tot 60 jaar in een huishouden met zeer lage werkintensiteit. Dat komt overeen met ongeveer 350.000 personen. Het gaat om huishoudens waar door de volwassenen niet of slechts beperkt wordt gewerkt op de arbeidsmarkt.

    De EU-SILC-enquête waarop deze cijfers gebaseerd zijn, werd recent ingrijpend vernieuwd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Wel kan gesteld worden dat het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit tussen 2016 en 2019 significant gedaald is van 11% naar 7%.

  • Hoogste aandeel in zeer lage werkintensiteit bij werklozen

    Naar geslacht en leeftijd blijven de verschillen vrij beperkt. Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit lag in 2018 iets hoger bij personen ouder dan 50 jaar, maar het verschil met de andere leeftijdsgroepen is sinds 2006 sterk afgenomen. Cijfers van 2019 naar achtergrondkenmerken zijn voor het Vlaamse Gewest nog niet beschikbaar.

    Opgedeeld naar huishoudtype lag het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit in 2018 het hoogst bij personen in eenoudergezinnen en eenpersoonshuishoudens (telkens 23%). In vergelijking met 2006 is het aandeel in zeer lage werkintensiteit gedaald bij koppels zonder kinderen en eenoudergezinnen.

    Het hoogste aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit is te vinden bij werklozen (57%). Bij niet-actieven (zonder gepensioneerden) ging het in 2018 om 24%. In vergelijking met 2006 is het aandeel werklozen dat leeft in een huishouden met zeer lage werkintensiteit nog toegenomen.

    Ten slotte lag het aandeel in zeer lage werkintensiteit in 2018 veel hoger bij huurders (23%) dan bij eigenaars (3%).

  • Aandeel in zeer lage werkintensiteit hoogst in provincie Antwerpen

    Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit lag in 2019 in de provincie Antwerpen (9%) iets hoger dan het Vlaamse gemiddelde (7%). In de andere provincies is dat aandeel telkens ongeveer gelijk met of iets lager dan het Vlaamse gemiddelde.

  • Aandeel met zeer lage werkintensiteit in Vlaams Gewest lager dan in andere gewesten en EU-gemiddelde

    Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit lag in 2019 in het Vlaamse Gewest (7%) lager dan in de andere Belgische gewesten. In het Waalse Gewest ging het om 17% van de bevolking, in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest om 24%. In België in zijn geheel lag dat aandeel in 2019 op 12%.

    Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit lag in 2019 in de 28 landen van de Europese Unie (EU28) op 9% van de bevolking. In Tsjechië (4%) lag dat aandeel het laagst, in Griekenland (14%), België (12%) en Spanje (11%) het hoogst.

Bronnen

Statbel: EU-SILC-survey

Eurostat: Database

Definities

Werkintensiteit: de werkintensiteit van het huishouden wordt berekend op basis van het totaal aantal gewerkte maanden van alle leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar (met uitzondering van studenten) in het jaar voorafgaand aan de enquête. Dat aantal gewerkte maanden wordt afgezet ten opzichte van het totaal aantal maanden dat de volwassenen in dat jaar hadden kunnen werken. Is die verhouding kleiner dan 0,2 dan wordt het huishouden beschouwd als een huishouden met zeer lage werkintensiteit.

Publicatiedatum

20 oktober 2020

Volgende update

oktober 2021

Meer cijfers

Contact

Vorige versies