Bevolking naar socio-economische positie (op basis van EAK-enquête)

  • Ruim 70% van 15- tot 64- jarigen aan het werk

    Op basis van de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) kan de bevolking van 15 tot 64 jaar worden opgedeeld naar socio-economische positie. Daarbij wordt aangegeven of een persoon werkt, werkloos is of niet-beroepsactief is op de arbeidsmarkt, volgens de definities van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO).

    In 2019 werkte 70,3% van de Vlaamse bevolking van 15 tot 64 jaar. Dat ligt beduidend hoger dan in 1999. Toen ging het om 62,1%.
    Het aandeel van de niet-beroepsactieve bevolking daalde van 34,3% in 1999 tot 27,3% in 2019. 
    Het aandeel werklozen schommelde in de hele periode tussen 2,4% en 3,8%. In 2019 lag dat aandeel het laagst.

  • Aandeel werkenden sterker gestegen bij vrouwen dan bij mannen

    Het aandeel werkende in de mannelijke bevolking van 15 tot 64 jaar steeg van 71,0% in 1999 tot 73,8% in 2019. Bij vrouwen steeg het aandeel werkenden sterker, van 52,9% in 1999 tot 66,8% in 2019.

    Omgekeerd daalde het aandeel niet-beroepsactieve mannen van 25,7% in 1999 tot 23,6% in 2019 en het aandeel niet-beroepsactieve vrouwen van 43,2% in 1999 tot 31,1% in 2019.

    Het aandeel werklozen daalde bij mannen van 3,3% in 1999 tot 2,6% in 2019. Bij vrouwen ging het om een daling van 3,8% in 1999 tot 2,2% in 2019.

  • 87% van 35- tot 49-jarigen aan het werk

    De leeftijdsgroep 15-34 jaar telde in 2019 61,3% werkende personen, 3,3% werklozen en 35,4% niet-beroepsactieve personen. In 1999 ging het om 61,7% werkenden, 4,7% werklozen en 33,6% niet-beroepsactieve personen.

    In de leeftijdsgroep 35-49 jaar werkte in 2019 87,1%, terwijl 2,1% werkloos en 10,8% niet-beroepsactief was. In 1999 werkte 81,0% van deze leeftijdsgroep, 3,7% was werkloos en 15,3% was niet-beroepsactief.

    De leeftijdsgroep 50-64 jaar kende de grootste veranderingen. In 2019 was 64,8% aan de slag en 33,7% niet-beroepsactief, terwijl in 1999 maar 38,0% werkte en 60,4% niet-beroepsactief was. Het aandeel werklozen bleef wel relatief stabiel en lag in 2019 even hoog als in 1999, op 1,6%.

  • Grote verschillen naar onderwijsniveau

    De socio-economische posities bij de 25 tot 64-jarigen vertonen grote verschillen naar onderwijsniveau: 54,3% van de laaggeschoolden werkte in 2019, tegenover 77,9% van de middengeschoolde personen en 88,6% van de hooggeschoolden. Bij de laaggeschoolden is het aandeel werkenden sinds 1999 het sterkst toegenomen (+2,3 procentpunten).

    Het percentage werklozen lag bij de laaggeschoolden in 2019 op 2,8%, tegenover 4,2% in 1999. Bij de middengeschoolden daalde het aandeel werklozen van 2,9% in 1999 tot 2,3% in 2019. Bij de hooggeschoolden was er een daling van 1,9% naar 1,7%.

    Bij de laaggeschoolden was 42,9% niet beroepsactief in 2019, bij de middengeschoolden 19,8% en bij de hooggeschoolden 9,8%.

  • Veel lager aandeel werkenden bij personen met hinder door handicap of langdurig gezondheidsprobleem

    In 2019 werkte 44,7% van de personen met hinder wegens een handicap of langdurig gezondheidsprobleem, tegenover 36,7% in 2009. Het aandeel werklozen bij deze groep daalde van 4,7% in 2009 tot 2,7% in 2019 en het aandeel niet-beroepsactieve personen van 58,6% tot 52,6%.

    Bij personen zonder hinder steeg het aandeel werkenden van 69,4% in 2009 tot 74,7% in 2019. Het percentage werklozen verminderde van 3,3% in 2009 tot 2,3% in 2019 en het percentage niet-beroepsactieve personen van 27,3% tot 23,0%.

  • Lager aandeel werkenden bij personen geboren buiten de EU

    In 2019 was 71,2% van de personen geboren in België aan het werk, 1,9% was werkloos en 26,8% niet-beroepsactief. In 2009 was 66,8% aan het werk, 2,9% werkloos en 30,3% niet-beroepsactief.

    Bij personen die in een ander land van de Europese Unie (EU) zijn geboren lag in 2019 het aandeel werkenden op 72,0%, tegenover 64,2% in 2009. Het aandeel werklozen daalde van 5,6% in 2009 naar 3,3% in 2019 en het aandeel niet-beroepsactieven van 30,2% naar 24,7%.

    Van de personen die buiten de EU zijn geboren werkte in 2019 60,1%, tegenover 50,4% in 2009. Het percentage werklozen zakte van 10,3% in 2009 naar 5,9% in 2019 en het percentage niet-beroepsactieve personen van 39,3% naar 34,0%.

  • Aandeel werkenden in Vlaams Gewest iets boven EU-gemiddelde

    In 2019 lag het aandeel werkende personen in de bevolking van 15 tot 64 jaar in het Vlaamse Gewest (70,3%) hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (56,9%) en het Waalse Gewest (59,2%). Het aandeel werklozen en niet-beroepsactieve personen lagen in het Vlaamse Gewest duidelijk lager dan in de andere gewesten.

    Algemeen genomen werkte in de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk (EU28) in 2019 69,2% van de bevolking van 15 tot 64 jaar, terwijl 4,8% werkloos en 26,0% niet-beroepsactief was. In de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk (EU27) ging het om 68,4% werkenden, 5,0% werklozen en 26,6% niet-beroepsactieve personen.
    Het Vlaamse Gewest kende een iets hoger aandeel werkende personen dan het EU28- en EU27-gemiddelde, samen met een lager aandeel werklozen en een iets hoger aandeel niet-beroepsactieve personen.
    In Nederland (78,2%) lag het aandeel werkende personen het hoogst, gevolgd door Zweden (77,1%) en Duitsland (76,7%). In Griekenland lag het aandeel werkenden (56,5%) het laagst en het aandeel werklozen (12,0%) het hoogst.

Bronnen

Definities

Werkende persoon: volgens de definities van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) is een persoon werkend indien die tijdens de referentieweek minstens een uur heeft gewerkt voor loon of winst of gezinswinst of indien die tijdens de referentieweek niet aan het werk was, maar een baan of een eigen bedrijf had waar die tijdelijk niet aanwezig was.

Werkloze persoon: iemand wordt volgens de ILO-definitie als werkloos beschouwd als hij of zij geen werk heeft, de afgelopen vier weken actief gezocht heeft naar werk en onmiddellijk beschikbaar is voor de arbeidsmarkt (binnen de twee weken aan een nieuwe job kan beginnen). Daarbij worden ook de niet-werkenden gerekend die een job gevonden hebben die pas binnen drie maanden start.

Niet-beroepsactieve persoon: een persoon die niet tot de ILO-werkenden noch tot de ILO-werklozen behoort.

Publicatiedatum

7 mei 2020

Volgende update

mei 2021

Meer cijfers

Contact

Vorige versies