Deeltijdarbeid

  • 1 op 4 werkenden deeltijds aan de slag

    Het aandeel werkenden van 20 tot 64 jaar met deeltijdarbeid lag in het Vlaamse Gewest in 2018 op 25,2%. In 2005 bedroeg dat aandeel 22,2%.

  • Veel meer deeltijds werkende vrouwen dan mannen

    Het aandeel deeltijds werkende vrouwen steeg van 41,9% in 2005 tot 45,0% in 2012 en daalde dan weer tot 42,6% in 2018.

    Bij werkende mannen lag het aandeel met een deeltijdbaan veel lager, maar het nam wel continu toe, van 6,6% in 2005 tot 9,7% in 2018.

  • Aandeel deeltijds werkenden hoogst bij 55-plussers

    Het aandeel deeltijds werkenden van 55 tot 64 jaar lag in de periode 2005-2018 hoger dan bij de andere leeftijdsgroepen. Bovendien kende de groep de sterkste stijging, van 26,6% in 2005 tot 36,7% in 2018.

    Bij de 20-34-jarigen steeg het aandeel met een deeltijdbaan van 16,4% in 2005 tot 19,7% in 2018. Bij de groep van 35 tot 44 jaar bleef het aandeel ongeveer constant op 24%. Het aandeel deeltijds werkenden steeg bij de 45-54-jarigen van 25,6% in 2005 tot 28,9% in 2012, maar daalde daarna tot 25,0% in 2018.

  • Meer deeltijdarbeid bij laaggeschoolden

    In 2018 lag het aandeel deeltijds werkenden bij laaggeschoolden op 29,5%, tegenover 25,3% in 2005. Bij middengeschoolde personen steeg het aandeel met deeltijdarbeid van 23,3% in 2005 tot 25,5% in 2018. Bij hooggeschoolden was er een stijging van 20,3% in 2005 tot 23,3% in 2018. Tussen 2005 en 2015 is het verschil tussen laaggeschoolden en hooggeschoolden in deeltijdarbeid groter geworden. Daarna nam het verschil weer af.

  • Hoogste aandeel deeltijds werkenden bij alleenstaanden met kinderen

    In 2018 lag het aandeel deeltijds werkenden bij alleenstaanden zonder kinderen ten laste op 20,2% tegenover 14,8% in 2005. Bij alleenstaanden met kinderen steeg dat aandeel van 29,5% in 2005 tot 32,4% in 2018. Van de koppels zonder kinderen werkte in 2018 27,1% deeltijds, tegenover 21,3% in 2005. Bij koppels met kinderen steeg het aandeel met deeltijdarbeid van 24,4% in 2005 tot 25,8% in 2018.

  • Zeer hoog aandeel deeltijdarbeid bij werkenden met hinder door handicap of langdurig gezondheidsprobleem

    In 2018 lag het aandeel deeltijds werkenden bij personen met hinder wegens een handicap of langdurig gezondheidsprobleem op 43,6%, tegenover 40,2% in 2009. Bij personen zonder hinder steeg dat aandeel van 22,7% in 2009 tot 23,8% in 2018.

  • Aandeel deeltijds werkenden in Vlaams Gewest hoger dan EU-gemiddelde

    In 2018 lag het aandeel deeltijds werkende personen in het Vlaamse Gewest (25,2%) hoger dan in het Waalse Gewest (22,8%) en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (20,2%).

    In de Europese Unie (EU) bedroeg het aandeel deeltijds werkenden in 2018 gemiddeld 18,5%. In het Vlaamse Gewest lag het aandeel dus hoger dan het EU-gemiddelde. De verschillen tussen de EU-landen zijn zeer groot. Nederland kende in 2018 veruit het hoogste aandeel deeltijds werkenden (46,8%), gevolgd door Oostenrijk (27,6%) en Duitsland (26,8%). Bulgarije had de laagste score (1,8%), voorafgegaan door Hongarije (4,2%) en Slovakije (4,8%).

Bronnen

Definities

Deeltijdarbeid: het onderscheid tussen voltijds en deeltijds werken wordt bepaald op basis van het antwoord van de respondenten zelf. Deeltijds werkenden zijn dus diegenen die zelf aangeven deeltijds te werken.

Publicatiedatum

13 juni 2019

Volgende update

juni 2020

Meer cijfers

Contact

Vorige versies