ILO-werkloosheidsgraad

  • ILO-werkloosheidsgraad in Vlaams Gewest op 3,5%

    In 2018 bedroeg de ILO-werkloosheidsgraad in het Vlaamse Gewest 3,5%. Het gaat om het aandeel werklozen in de beroepsbevolking van 15 tot 64 jaar. Met beroepsbevolking wordt de som bedoeld van de werkenden en de werklozen.

    De werkloosheidsgraad schommelde in de periode 1999-2018 rond 4,5%. In 2003 lag de werkloosheidsgraad het hoogst (5,7%), in 2018 het laagst.

  • Werkloosheidsgraad bij mannen en vrouwen nagenoeg gelijk

    In 2018 lag de werkloosheidsgraad slechts beperkt hoger bij mannen (3,5%) dan bij vrouwen (3,3%). Tussen 1999 en 2008 lag de werkloosheidsgraad van mannen lager dan die van vrouwen. Van 2008 tot 2014 was het verschil tussen mannen en vrouwen zo goed als verdwenen. Na 2014 was er weer een klein verschil merkbaar, maar in 2018 was de werkloosheidsgraad van mannen en vrouwen weer nagenoeg gelijk.

     

  • Hogere werkloosheidsgraad bij 15-34-jarigen dan bij andere leeftijdsgroepen

    De werkloosheidsgraad lag bij 15-34-jarigen in 2018 op bijna 6%, het niveau van 2001 en 2008. De werkloosheidsgraad lag bij deze leeftijdsgroep over de hele periode tussen 1999 en 2018 hoger dan die van de 35-49-jarigen en de 50-plussers. De curve van de jongeren vertoont ook grotere schommelingen.

    Bij de 35-49-jarigen en 50-64-jarigen bedroeg de werkloosheidsgraad in 2018 2,3%. De curve van deze leeftijdsgroepen kende in de periode 1999-2018 grotendeels eenzelfde verloop, met schommelingen van 2,5% tot 5%.

  • Werkloosheidsgraad veel hoger bij laaggeschoolden

    Bij de 25- tot 64-jarigen bedroeg de werkloosheidsgraad van laaggeschoolden 5,6% in 2018, tegenover 7,2% in 2017. Bij middengeschoolde personen bedroeg de werkloosheidsgraad in 2018 2,6%, bij hooggeschoolden 2,1%.

    In de periode 1999-2018 lag de werkloosheidsgraad bij laaggeschoolden hoger dan bij de andere groepen. De schommelingen in de tijd zijn ook groter bij laaggeschoolden.

  • Hoogste werkloosheidsgraad bij alleenstaande ouders

    In 2018 lag de werkloosheidsgraad bij alleenstaanden zonder kinderen ten laste op 5,7%, tegenover 10,5% in 1999. Bij alleenstaanden met kinderen daalde de werkloosheidsgraad van 13,7% in 1999 tot 7,3% in 2018, het hoogste niveau van alle gezinstypes. Koppels zonder kinderen ten laste kenden in 2018 een werkloosheidsgraad van 2,0%, tegenover 4,2% in 1999. Bij koppels met kinderen daalde de werkloosheidsgraad van 4,1% in 1999 tot 2,7% in 2018.

  • Hogere werkloosheidsgraad bij personen met hinder door handicap of langdurig gezondheidsprobleem

    In 2018 lag de werkloosheidsgraad bij personen met hinder wegens een handicap of langdurig gezondheidsprobleem op 5,5%, tegenover 11,4% in 2009. Bij personen zonder hinder daalde de werkloosheidsgraad van 4,5% in 2009 tot 3,2% in 2018.

  • Hogere werkloosheidsgraad bij personen geboren buiten de EU

    In 2018 lag de werkloosheidsgraad bij personen geboren in België op 2,7%, tegenover 3,9% in 2007. Bij personen geboren in een ander EU-land daalde de werkloosheidsgraad van 6,9% in 2007 tot 6,2% in 2018. Bij personen geboren buiten de EU lag de werkloosheidsgraad veel hoger in de periode 2007-2016, maar de voorbije jaren daalde die tot 9,8% in 2018.

  • Vlaamse werkloosheidsgraad onder EU-gemiddelde

    In 2018 lag de werkloosheidsgraad in het Vlaamse Gewest (3,5%) veel lager dan in het Waalse Gewest (8,5%), in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (13,4%) en in België als geheel (6,0%).

    In de Europese Unie (EU) bedroeg de werkloosheidsgraad gemiddeld 7,0%. Het Vlaamse Gewest scoorde beduidend beter dan het EU-gemiddelde. Griekenland kende in 2018 met 19,5% de hoogste werkloosheidsgraad, gevolgd door Spanje (15,3%) en Italië (10,8%). Tsjechië had de laagste werkloosheidsgraad (2,3%), voorafgegaan door Duitsland (3,5%).

Bronnen

Definities

ILO-werkloosheidsgraad:  het aandeel  van de werkloze personen in de beroepsbevolking, volgens de definities van het Internationaal Arbeidsbureau (International Labour Organisation - ILO). Iemand wordt volgens de ILO-definitie als werkloos beschouwd als hij of zij geen werk heeft, de afgelopen vier weken actief gezocht heeft naar werk en onmiddellijk beschikbaar is voor de arbeidsmarkt (binnen de twee weken aan een nieuwe job kan beginnen). Daarbij worden ook de niet-werkenden gerekend die een job gevonden hebben die pas binnen drie maanden start. De beroepsbevolking wordt gevormd door de som van de werkenden en de werklozen. Iemand wordt volgens de ILO-definitie als werkend beschouwd indien hij of zij in de referentieweek minstens een uur betaalde arbeid heeft verricht.

Publicatiedatum

23 april 2019

Volgende update

april 2019

Meer cijfers

Contact

Vorige versies