Persoonlijk inkomen

  • Persoonlijk inkomen gemiddeld 1.787 euro per maand

    In 2018 lag het netto persoonlijk inkomen van de Vlaamse bevolking van 18 jaar en ouder gemiddeld op 1.787 euro per maand. In 2006 ging het om 1.592 euro per maand. Dat is een stijging van 12% of 1% per jaar.

    Het betreft netto inkomens waarbij de directe belastingen en bijdragen voor de sociale zekerheid in mindering zijn gebracht. Het gaat bovendien om bedragen in reële termen. Dat wil zeggen dat de bedragen gecorrigeerd zijn voor de inflatie, op basis van de consumptieprijsindex.

    Het persoonlijk inkomen bestond in 2018 uit 70% beroepsinkomen, 25% pensioenen, 3% werkloosheidsuitkeringen en 3% andere inkomsten.

    Het procentueel aandeel van het netto beroepsinkomen in het netto persoonlijk inkomen bleef ongeveer constant tussen 2006 en 2018. Het aandeel van de pensioenen daarentegen steeg in dezelfde periode, terwijl het aandeel van de werkloosheidsuitkeringen daalde.

  • Meer personen met hoger persoonlijk inkomen in 2018 dan in 2006

    Algemeen gezien hadden in 2018 meer personen een hoger persoonlijk inkomen dan in 2006. In 2018 lag bij 59% van de bevolking het persoonlijk inkomen lager dan 2.000 euro per maand, tegenover 68% in 2006.

    De groep met een inkomen van 1.000 tot 2.000 euro per maand telde in 2018 ruim 36% van de bevolking van 18 jaar en ouder, in 2006 39%. Bij 10% van de bevolking lag het persoonlijk inkomen in 2018 tussen 1 en 1.000 euro, tegenover 14% in 2006. Ruim 13% van de bevolking van 18 jaar en ouder had in 2018 geen persoonlijk inkomen, tegenover 15% in 2006.

    Bij 30% van de bevolking van 18 jaar en ouder lag het persoonlijk inkomen in 2018 tussen 2.000 en 3.000 euro per maand. In 2006 was dat nog 23%.

    Bijna 11% van de bevolking had in 2018 een persoonlijk inkomen van meer dan 3.000 euro per maand, tegenover 9% in 2006.

  • Sterkere toename van persoonlijk inkomen bij vrouwen

    Het netto persoonlijk inkomen van mannen van 18 jaar en ouder lag in 2018 op 2.112 euro, tegenover 2.036 euro per maand in 2006. Dat is een stijging van bijna 4%. Bij vrouwen nam het persoonlijk inkomen veel sterker toe, van 1.161 euro per maand in 2006 tot 1.474 euro in 2018 (+27%). Daardoor verminderde het verschil in persoonlijk inkomen per maand tussen mannen en vrouwen met bijna 240 euro tussen 2006 en 2018.

    Bij mannen daalde het aandeel van het beroepsinkomen in het totaal persoonlijk inkomen, terwijl het bij vrouwen steeg. Bij beide groepen steeg het aandeel van de pensioenen en daalde het aandeel van de werkloosheidsuitkeringen.

  • Laagste persoonlijk inkomen bij 18- tot 34-jarigen

    Het persoonlijk inkomen lag in 2018 lager bij de 18- tot 34-jarigen dan bij de oudere leeftijdsgroepen. Daarna volgen de 65-plussers. Het persoonlijk inkomen lag het hoogst bij de groepen van 35 tot 49 jaar en van 50 tot 64 jaar.

    Tussen 2006 en 2018 steeg het gemiddelde persoonlijk inkomen het sterkst bij de 65-plussers (+24%), gevolgd door de 50- tot 64-jarigen (+20%) en de 35- tot 49-jarigen (+12%). Bij de 18- tot 34-jarigen daalde het persoonlijk inkomen met 5%.

    Het aandeel van het beroepsinkomen in het persoonlijk inkomen lag in 2018 op 96% bij de 18- tot 34-jarigen, op 95% bij de 35- tot 49-jarigen, op 80% bij de 50- tot 64-jarigen en op bijna 4% bij de 65-plussers. Bij de 50- tot 64-jarigen nam dat aandeel sterk toe, terwijl het aandeel van de pensioenen en werkloosheidsuitkeringen bij deze groep sterk daalde.

  • Veel hoger persoonlijk inkomen bij hooggeschoolden

    Het netto persoonlijk inkomen van hooggeschoolden lag in 2018 gemiddeld op 2.395 euro per maand. Bij middengeschoolden bedroeg het 1.620 euro per maand en bij laaggeschoolden 1.176 euro.

    Tussen 2006 en 2018 nam het netto persoonlijk inkomen bij middengeschoolden toe met 12%, bij hooggeschoolden met bijna 7% en bij laaggeschoolden met ruim 2%.

    Het aandeel van het beroepsinkomen in het persoonlijk inkomen daalde bij laaggeschoolden van 40% in 2006 tot 35% in 2018. Bij middengeschoolden daalde dat aandeel van 76% in 2006 tot 71% in 2018 en bij hooggeschoolden van 82% tot 80%.

  • Lager persoonlijk inkomen bij personen met hinder door handicap of langdurig gezondheidsprobleem

    In 2018 hadden personen met hinder wegens een handicap of een langdurig gezondheidsprobleem een persoonlijk inkomen van gemiddeld 1.450 euro per maand. Bij personen zonder hinder ging het om 1.902 euro per maand.

    Tussen 2006 en 2018 steeg het persoonlijk inkomen bij personen zonder hinder (+14%) sterker dan bij personen met hinder (+10%).

    Bij personen met hinder omvatte het persoonlijk inkomen in 2018 voor 39% beroepsinkomen, voor 45% pensioenen, voor 3% werkloosheidsuitkeringen en voor 13% andere inkomsten (vooral uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid, ziekte en invaliditeit). Bij personen zonder hinder lag het aandeel van het beroepsinkomen in 2018 op 77%, naast 20% pensioenen, 2% werkloosheidsuitkeringen en 1% andere inkomsten.

  • Lager persoonlijk inkomen bij personen geboren buiten EU

    In 2018 lag het netto persoonlijk inkomen bij personen die buiten de Europese Unie (EU) zijn geboren gemiddeld op 1.175 euro per maand. Bij personen geboren in België bedroeg het 1.831 euro en bij personen die in een ander EU-land dan België zijn geboren op 1.824 euro.

    Het persoonlijk inkomen van personen geboren buiten de EU daalde tussen 2006 en 2018 beperkt (-1%). Bij personen geboren in België en personen geboren in de EU (buiten België) steeg het met +14%.

    Bij personen geboren buiten de EU omvatte het persoonlijk inkomen in 2018 voor 82% beroepsinkomen, voor 7% pensioenen, voor 6% werkloosheidsuitkeringen en voor 5% andere inkomsten.

    Bij personen geboren in België lag het aandeel van het beroepsinkomen in 2018 op 69%, naast 26% pensioenen, 3% werkloosheidsuitkeringen en 2% andere inkomsten. Bij personen geboren in de EU (buiten België) bedroegen die aandelen respectievelijk 68%, 25%, 3% en 4%.

Bronnen

Statbel: EU-SILC-survey 
 

Definities

Persoonlijk inkomen: de totale vergoeding (in geld of natura) die een persoon (maandelijks) ontvangt. Het omvat 4 soorten inkomens: het beroepsinkomen, de werkloosheidsuitkering, het overheidspensioen (ouderdomspensioen en overlevingspensioen) en andere inkomens (uitkering voor arbeidsongeschiktheid, uitkering voor ziekte en invaliditeit en vergoeding verbonden aan studie of opleiding).

Koopkrachtstandaard (KKS): door een monetaire grootheid in euro koopkrachtstandaard (KKS) uit te drukken is een correcte internationale vergelijking mogelijk. Er bestaan immers prijsverschillen voor dezelfde goederen en diensten tussen landen.

Publicatiedatum

10 oktober 2019

Volgende update

september 2020

Meer cijfers

Contact

Vorige versies