Tewerkstelling per sector

  • Gezondheidszorg/maatschappelijke diensten en industrie grootste sectoren

    In 2019 was 15,8% van de werkenden van 20 tot 64 jaar in het Vlaamse Gewest actief in de gezondheidszorg en maatschappelijke diensten en 14,4% in de industrie. Daarmee zijn dit de sectoren met het hoogste aandeel werkenden. Dat blijkt uit de sectorale verdeling van de werkenden in 21 economische sectoren, op basis van de internationale NACE 2008- classificatie.

    De top 5 van sectoren met het hoogste aandeel werkenden van 20 tot 64 jaar werd in 2019 vervolledigd door de groot- en detailhandel en reparatie van voertuigen (13,7%), het onderwijs (8,8%) en de bouwnijverheid (7,0%).

    Tussen 2009 en 2019 steeg het aandeel van de sector gezondheidszorg en maatschappelijke diensten het sterkst (+2,4 ppt) waardoor deze sector in 2019 de grootste was. In 2009 was dat nog de industrie. De tweede sterkste stijging deed zich voor in de sector administratieve en ondersteunende diensten (+1,4 ppt).
    De grootste dalingen waren er in de industrie (-2,9 ppt), de sector openbaar bestuur, defensie en sociale zekerheid (-1,7 ppt), in vervoer en opslag (-0,7 ppt) en in de landbouw, bosbouw en visserij (-0,7 ppt).

    De categorie ‘overige sectoren’ omvat de 6 kleinste sectoren met een aandeel van minder dan 1%: exploitatie en handel onroerend goed; water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering; elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht; extraterritoriale organisaties en lichamen; huishoudens en huishoudelijke productie; winning van delfstoffen.

  • Grote sectorale verschillen tussen mannen en vrouwen

    De grote sectoren met een zeer groot aandeel mannen waren in 2019 de bouwnijverheid (89,7% mannen), de sector vervoer en opslag (76,6%) en de industrie (75,5%). Ook in enkele kleinere sectoren lag het aandeel mannen veel hoger dan het aandeel vrouwen: water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering (79,4%), informatie en communicatie (74,0%), elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht (71,1%) en landbouw, bosbouw en visserij (69%).

    De typisch vrouwelijke sectoren zijn de gezondheidszorg en maatschappelijke diensten (82,3% vrouwen), het onderwijs (71,2%) en de andere diensten (65,9%).

    In de overige sectoren is het verschil tussen het aandeel van mannen en vrouwen veel kleiner, onder meer in de sector groot- en detailhandel en reparatie van voertuigen, de sector openbaar bestuur, defensie, sociale zekerheid en de sector vrije beroepen, wetenschappelijke en technische activiteiten.

    De 6 kleinste sectoren zijn niet opgenomen in de grafiek.

  • Grote sectorale verschillen naar onderwijsniveau

    In een aantal sectoren lag het aandeel hooggeschoolden bij 25- tot 64-jarigen in de periode 2018-2019 veel hoger dan het aandeel laag- en middengeschoolden. Het gaat om het onderwijs (86,5% hooggeschoolden) en de sector van vrije beroepen, wetenschappelijke en technische activiteiten (83,4%).

    De middengeschoolden waren meer actief in de sectoren landbouw, bosbouw en visserij (57,9%), bouwnijverheid (57,3%), accommodatie en maaltijden (55,4%), vervoer en opslag (54,0%), andere diensten (53,0%), groot- en detailhandel, reparatie voertuigen (52,8%) en industrie (48,8%).

    In de meeste sectoren lag het aandeel van de laaggeschoolden lager dan 20%. Uitzonderingen zijn de sectoren accommodatie en maaltijden (26,4%), administratieve en ondersteunende diensten (21,7%), vervoer en opslag (21,6%) en de bouwnijverheid (20,6%).

    In de grafiek zijn 8 kleine sectoren niet opgenomen.

  • In Vlaams Gewest meer werkenden in categorie ‘gezondheidszorg en welzijn’ dan EU-gemiddelde, minder in ‘industrie, bouw, energie en delfstoffen’

    Voor de vergelijking van het Vlaamse Gewest met de andere gewesten in België en de EU-landen werden de 21 sectoren geaggregeerd tot 6 grote categorieën.

    In 2019 was in het Vlaamse Gewest 23,8% van de werkenden actief in de categorie ‘industrie, bouw, energie en delfstoffen’. Dat is veel meer dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (12,8%) en iets meer dan in het Waalse Gewest (20,7%), maar lager dan het gemiddelde in de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk (EU28) (28,0%) en in de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk (EU27) (29,4%). Er bestaan grote verschillen tussen de EU-landen: Roemenië (49,6%) kende het hoogste percentage in deze categorie, Luxemburg (11,2%) het laagste.

    Het aandeel van de categorie ‘handel, vervoer, opslag en reparatie’ lag in het Vlaamse Gewest in 2019 op 19,7%, tegenover 15,4% in Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, 17,1% in het Waalse Gewest, 18,8% in de EU28 en 19,2% in EU27. De verschillen tussen de EU-landen blijven hier beperkt. Litouwen (24,6%) kende het hoogste percentage in deze categorie, Luxemburg (11,8%) het laagste.

    De categorie ‘zakelijke en andere dienstverlening’ was in het Vlaamse Gewest goed voor 20,2% van de werkenden. Dat aandeel lag iets hoger dan in het Waalse Gewest (19,4%) maar veel lager dan in Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (31,5%). Het Vlaamse Gewest scoorde ongeveer even hoog als het EU28- gemiddelde (20,6%) en het EU27-gemiddelde (19,9%). Er zijn grote verschillen tussen de EU-landen: Luxemburg (33,1%) had het hoogste aandeel voor deze categorie, Roemenië (11,3%) het laagste.

    In 2019 lag het aandeel van de categorie ‘gezondheidszorg en welzijn’ in het Vlaamse Gewest op 15,8%, iets hoger dan in het Waalse Gewest (14,4%) en beduidend hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (10,2%), in de EU28 (11,3%) en in de EU27 (10,8%). Opnieuw zijn de verschillen tussen de EU-landen groot. Denemarken (19,2%) kende het hoogste aandeel voor deze categorie, Bulgarije (4,9%) het laagste.

    De categorie ‘onderwijs, kunst en recreatie’ vertegenwoordigde in het Vlaamse Gewest 13,5% van de werkenden. Dat is minder dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (15,9%) en het Waalse Gewest (16,2%). De Vlaamse score lag iets lager dan het EU28-gemiddelde (14,2%) en het EU27-gemiddelde (13,5%). In Malta (21,8%) lag het aandeel van deze categorie het hoogst, in Roemenië (7,7%) het laagst.

    In het Vlaamse Gewest was in 2019 6,9% van de werkende bevolking actief in de categorie ‘overheid en sociale zekerheid’, tegenover 14,3% in Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, 12,3% in het Waalse Gewest en 7,1% in de EU28 en EU27. De verschillen tussen de EU-landen zijn niet zo groot. Luxemburg (19,0%) had veruit het hoogste aandeel voor deze categorie, gevolgd door Frankrijk (9,4%) en België (9,2%). Finland (4,7%) had het laagste aandeel.

Bronnen

Statbel: Arbeidsmarkt - EAK
Eurostat: Database

Definities

Economische sectoren: de economische sectoren worden ingedeeld op basis van de internationale classificatie NACE-2008.
Voor de vergelijking van het Vlaamse Gewest met de andere gewesten in België en de EU-landen worden de 21 sectoren van NACE-2008 geaggregeerd tot 6 grote categorieën.

 

 

Publicatiedatum

7 mei 2020

Volgende update

mei 2021

Meer cijfers

Contact

Vorige versies