Type arbeidscontract

  • Ruim 8% van werknemers heeft tijdelijk arbeidscontract

    In 2019 lag het aandeel werknemers van 20 tot 64 jaar met een tijdelijk arbeidscontract in het Vlaamse Gewest op 8,4%. Dat aandeel daalde van 8,4% in 1999 tot 6,0% in 2012 en steeg daarna weer tot 8,4% in 2019.

  • Hoogste aandeel contracten van bepaalde duur, sterkste stijging bij studentenarbeid

    De werknemers met een tijdelijk arbeidscontract kunnen worden opgesplitst naar de aard van het tijdelijk contract.

    In 2019 had 49,8% van de werknemers met een tijdelijk arbeidscontract een contract van bepaalde duur tegenover 64,2% in 1999.
    Het aandeel werknemers met uitzendarbeid steeg van 18,4% in 1999 tot 27,9% in 2019.
    Het aandeel met een contract in het systeem van dienstencheques/PWA lag in 2019 op 4,0% tegenover 8,5% in 1999.
    In 2019 had 4,3% een stage- of leercontract, terwijl dat in 1999 nog 6,5% was.
    De sterkste stijging was er voor de studentencontracten: van 2,4% in 1999 tot 7,7% in 2017 en 14,0% in 2019.

  • Hoger aandeel vrouwen met tijdelijk arbeidscontract

    Het aandeel werknemers met een tijdelijk arbeidscontract schommelde bij mannen in het Vlaamse Gewest tussen 1999 en 2013 rond 5%. Daarna steeg dat aandeel tot 7,6% in 2019.
    Bij vrouwen daalde het aandeel met een tijdelijk contract van 12,2% in 1999 tot 6,9% in 2013. Daarna steeg het aandeel weer tot 9,2% in 2019. 
    Daarmee lag in 2019 het aandeel met een tijdelijk arbeidscontract bij vrouwen nog iets hoger dan bij mannen. Het verschil is sinds 1999 wel sterk afgenomen.

  • Hoogste aandeel met tijdelijk arbeidscontract bij jongeren

    Het aandeel werknemers met een tijdelijk arbeidscontract lag met 16,8% in 2019 het hoogst bij de 20- tot 34-jarigen. Het aandeel met een tijdelijk contract lag bij de jongste leeftijdsgroep in alle jaren veel hoger dan bij de andere leeftijdsgroepen en nam sinds 1999 (13,7%) nog toe.
    Bij de 35- tot 49-jarigen daalde het aandeel met een tijdelijk contract van 5,3% in 1999 tot 3,3% in 2012. Daarna steeg het aandeel weer tot 5,3% in 2018, gevolgd door een daling tot 4,7% in 2019.
    Bij de 50- tot 64-jarigen steeg het aandeel eerst van 2,9% in 1999 tot 4,3% in 2007, gevolgd door een daling tot 2,5% in 2012. Daarna verhoogde het aandeel weer tot 4,1% in 2019.

  • Meer tijdelijke arbeidscontracten bij laaggeschoolden

    In 2019 lag het aandeel werknemers (25 tot 64 jaar) met een tijdelijk arbeidscontract bij laaggeschoolden op 8,9% tegenover 6,7% in 1999.
    Bij middengeschoolde personen lag dat aandeel in 2019 op 5,5%, iets lager dan in 1999 (5,8%), maar hoger dan in de periode 2001-2016.
    Bij hooggeschoolden daalde het aandeel van 7,1% in 1999 tot 4,5% in 2013. Daarna steeg het weer tot 6,4% in 2018, gevolgd door een lichte daling tot 6,0% in 2019.

  • Hoogste aandeel tijdelijke arbeidscontracten bij alleenstaanden met kinderen

    Het aandeel werknemers met een tijdelijk arbeidscontract bij alleenstaanden zonder kinderen ten laste lag in 2019 op 8,8% tegenover 6,4% in 2012.
    Bij alleenstaanden met kinderen schommelde dat aandeel in de periode 2012-2019 rond 10%. In 2019 bedroeg het 10,5%, het hoogste aandeel van alle huishoudtypes.
    Van de koppels zonder kinderen had in 2019 6,2% een tijdelijk contract tegenover 5,2% in 2012.
    Bij koppels met kinderen verhoogde het aandeel met een tijdelijk arbeidscontract van 5,6% in 2012 tot 7,3% in 2019.

  • Veel hoger aandeel tijdelijke contracten bij werknemers geboren buiten de EU

    In 2019 lag het aandeel met een tijdelijk arbeidscontract bij werknemers geboren in België in 2019 op 7,5% tegenover 6,3% in 2007.
    Bij werknemers geboren in een ander EU-land steeg het aandeel met een tijdelijk contract van 9,7% in 2007 tot 11,8% in 2019. De curve vertoont wel grote schommelingen.
    Bij werknemers geboren buiten de EU lag het aandeel met een tijdelijk contract in 2019 op 16,0%, bijna even hoog als in 2007. Daarmee lag het aandeel met een tijdelijk contract in de hele periode het hoogst bij deze groep.

  • Aandeel tijdelijke contracten in Vlaams Gewest ver onder EU-gemiddelde

    In 2019 lag het aandeel werknemers met een tijdelijk arbeidscontract in het Vlaamse Gewest (8,4%) lager dan in het Waalse Gewest (11,0%) en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (14,9%).

    In de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk (EU28) lag het aandeel werknemers met een tijdelijk contract in 2019 gemiddeld op 12,6%. In de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk (EU27) ging het om 13,9%. Dat is veel hoger dan in het Vlaamse Gewest.
    Spanje kende met 25,8% het hoogste aandeel werknemers met een tijdelijk contract, gevolgd door Polen (21,3%) en Portugal (20,3%). Litouwen (1,2%) had het laagste percentage met een tijdelijk contract, voorafgegaan door Roemenië (1,4%) en Estland (2,7%).

Bronnen

Definities

Tijdelijk arbeidscontract: een arbeidscontract van bepaalde duur (in overheids- en privésector) of een arbeidscontract in een specifiek stelsel, gebaseerd op bepaalde vastgelegde criteria. Een tijdelijk arbeidscontract staat tegenover een vast arbeidscontract. Dat is een vaste benoeming bij de overheid of een arbeidscontract van onbepaalde duur in de overheids- of privésector.

Publicatiedatum

7 mei 2020

Volgende update

mei 2021

Meer cijfers

Contact

Vorige versies